Over de rand van de bank keek ik naar het flitsen buiten. De lente ontlaadde zich boven ons, in gedachten telde ik mee. Olmer trok zijn knieën op, sloeg zijn armen er omheen en legde er zijn hoofd te rusten. Zijn handen, zo aanminnig, waarin hij normaal de wereld hield, hielden nu zijn lijf bij elkaar. Alsof het onweerde in een open veld. Ik streelde zacht zijn wang, hij liet zich tegen mijn borst zakken. Wat wist ik eigenlijk van hem, waarom juist mij, had moeder niet altijd – als een soort belofte – gezegd dat er niemand bij me zou blijven?
Leeuwarden lichtte op. Olmer zweeg, net als ik.
Ik dacht aan het onweer boven Almelo, aan het bed waarin ik alleen wegkroop op de kamer naast die van mijn ouders – ik was te moeilijk om mee samen te leven had ze gezegd – en de blauwe, stoffen pyjama die ik droeg. Ik dacht aan de druppels die tegen het slaapkamerraam uiteen sloegen en de heerlijk zachte geur van de door regen verdreven warmte in de tuin wanneer het over was, en die ik mijn kamer liet binnendrijven, om me daarna af te vragen of de lucht die ik opsnoof over de hele wereld zou zijn gereisd en welke landen ik dan zou kunnen ruiken.
Olmer zakte dieper weg, zijn hoofd in mijn schoot, mijn handen gevouwen rond zijn lichaam. Almelo leek geruststellend ver weg.
