De avond valt over Kreuzberg, Berlijn vecht en danst zich de lente in. In de berm van de Heinrich-Heine-Straße zijn alle knoppen gesprongen, mei belooft wonderschone dingen. Er heerst een kalmte in de straat als na een hevige storm, wanneer de wereld zich heeft ontdaan van een laagje huid en alle geluiden als nieuw klinken.
Niet veel eerder trok een betoging langs, zoals elke eerste mei. Duizenden riepen leuzen die weerkaatsten tussen de flats. An-ti ka-pi-ta-lis-ta! Nu zijn de kreten verstorven en resten de vertrapte flyers op het asfalt, de versplinterde ruiten van een bankfiliaal. Naast een omvergeduwde Citroën staat een man te bellen, glas kraakt onder zijn voeten. Het tafereel lijkt misplaatst in de rust van het moment. Oorzaak en gevolg zijn uit elkaar getrokken.
Op de Moritzplatz is de stemming uitgelaten. In het gras van de rotonde zitten mensen op plastic tuinstoelen, ze lachen. Een fotograaf legt een gedeukte auto vast, een kind trapt tegen een bal. Iets verder op de Oranienplatz deint een troebele mensenzee, een diepe bas dreunt door mijn lichaam. De nacht is zwanger van vreugde en geweld. Boven de wijk hangt een helikopter stil in de lucht en regelmatig trekt een colonne politieauto’s voorbij. Ze jagen als onrustige decorstukken door de straten. Hun sirenes zijn als discolichten vannacht.
Moritzplatz
Café Nostalgie
‘Mag ik aanschuiven?’
Ik knik. Hij zet zijn stoel bij mijn tafel. Rond ons vallen dikke druppels, die ritmisch uiteenspatten op de markies. Van de stoppels op zijn verdorde huid tot de asgrauwe revers van zijn jasje, de man is een staalkaart van grijstinten. Hij spreidt een glossy uit over het tafelblad en vervolgt zijn kruiswoordpuzzel, af en toe nippend aan een groot glas bier. Soms mompelt hij antwoorden, of mogelijkheden, want noteren doet hij niet. We zijn de enige gasten op het terras, de andere stoelen staan te verregenen als herinneringen aan een niet ingeloste belofte.
Uit het café klinkt muziek. Liedjes die ooit hits waren, worden door de barvrouw voluit meegezongen. Ze is een vijftiger van klein postuur, een wit t-shirt in haar versleten spijkerbroek gestoken. Van borsten geen spoor.
De lentebui trekt snel voorbij, de roze bloesems aan de overkant lijken dieper van kleur in het zonlicht. Aan het einde van de straat steekt de Fernsehturm boven de huizen uit, de zon weerkaatst in de zilveren bol en trekt een onzichtbaar spoor over de stad. De barvrouw haalt een doekje over de natte stoelen, poetst de belofte op, daarna steekt ze het vodje in haar achterzak. De man murmelt iets, zij glimlacht terug. Ik drink mijn glas leeg. Een nevel versluiert de dag.
Of ze nog iets voor me doen kan, vraagt ze.
Nee, schud ik, vandaag niet meer.
Café Nostalgie, Crellestraße 22, Berlijn-Schöneberg
Slot
Berlijn balanceert op de rand van de lente. Dan weer is de lucht donzig zacht, dan weer kil en venijnig. Ik slenter richtingloos. De stad legt zich voor me open, van dichtbij mag ik kijken, door mijn oogharen. Een enkele toeschouwer ben ik, verdwaald tussen de mensen die allen samen lijken. Voorbij de Luisenplatz steek ik de Spree over. Op de brug komt een jongen tegemoet, onze blikken kruisen. Ik probeer te registreren: verwaaide bruine haren, openhangende trenchcoat, smalle weke lippen, fijne trekken van verraderlijke onschuld. De perfectie van jongensachtigheid. (Hoe heet een mannelijke nimfijn? – nee, daarvoor te oud). Onze blikken draaien mee in het voorbijgaan. Even lijken onze werelden zich aan elkaar te verbinden, maar als we ons afwenden en doorlopen, onthecht weer alles. Twee kometen die elkaar rakelings passeren, voor een tel een compositie vormen, en dan weer door het universum zwerven – zonder bedoeling. Maakt het uit dat ik hier ben, word ik niet overal door de tijd weggevaagd? Op de kop van de Kamminer Straße struin ik door het antiquariaat van Fluck en koop een paar boeken, door hun verleden zowel aangevreten als verrijkt. Voor mijn liefste, staat er in blauwe inkt geschreven, 1956. Aan de andere kant van de straat strekken zich de paleistuinen uit van het slot Charlottenburg. Ik dwaal er een tijdje door, maar de romantische lieflijkheid van alles staat me tegen. De schoonheid van het verval is dichtbij, in het afbladderende pleisterwerk van het paleis, in de stad rondom, in mijzelf. Een lichte duizeling trekt door mijn hoofd. Door straten vol auto’s loop ik terug naar huis, mijn Hinterhof, mijn plek los van tijd en ruimte.
Lietzenseepark
De hemel is gebroken. De winter en het wolkendek zijn van gister, er waait een voorzichtige lente door de stad. Het duurde lang, maar zoveel warmer voelt de zon. Ach, wie ich bergauf ging und aus dem Talnebel in die Sonne kam. Langs de Lietzensee schuifelen de mensen als langs een kunstwerk. In de schittering van het water dansen ze met elkaar. Duitsers, Russen en Turken met hun grote zonnebrillen, in hun mooiste zwarte jassen. Ze zijn vanzelfsprekende acteurs in de stad die zich rondom het meer vouwt, zo majestueus: die alten Häuser Charlottenburgs. Ze ploegen door de modder, resten van de pas gesmolten sneeuw. Langs de waterkant zet ik me neer tussen Berlijners. Een groen houten bankje onder bomen die nog van niets weten en kaal zijn. Een man legt zijn hoofd op de schouder van een andere, een vrouw in rolstoel streelt haar dochters hand, een verdwaalde hond draait rondjes rond zijn eigen staart en vindt zijn weg terug. Dan is er rust. Die Ruhe des Sonntags. Der Horizont. De stad die de winter overwint.
Zweet
Charlottenburg ontwaakt op het ritme van schoenzolen. Berliner Halbmarathon. Lichte passen van de eerste Afrikanen, nauwelijks de aarde rakend; zware, diepe afdrukken van de achterblijvers. De doffe klappen van een vluchtende kudde. De stad ruikt weeïg, de straten zweten. Ravitaillering. Lopers drinken hun plastic bekers leeg, gooien ze weg; ze kraken onder duizenden voeten. Snot wordt van gezichten geveegd. Op de terrassen warme koffie, ravitaillering voor de ochtendmens. Zolen op asfalt, het blijft maar gaan. Over de Sophie-Charlotte-Platz, door de Windscheidstrasse (tien kilometer), onder de S-bahn door, Droysenstrasse (elf kilometer), linksaf de Küdamm op. Daar speelt een steelband, de ritmes versmelten. Een kerk druppelt leeg. De meesten gaan naar huis, moegebeden, een enkeling geeft Gods zegen en schreeuwt de massa vooruit. Een man probeert het publiek op te zwepen, maar vooral zichzelf, zijn gezicht vertrekt. Het wordt stiller, alles gaat trager, tot de laatste mens voorbij gegaan is, losgeraakt van zijn volk. De afzettingen worden opgeheven, de orde der dingen hersteld. De zon schijnt. Op een balkon steekt een vrouw haar dode planten in een vuilniszak.
Hinterhof
Er is een stad achter de stad. Daar slaap ik. Niet in de mooie huizen aan de boulevards van Charlottenburg, waar de bomen chique waaiers vormen boven dure auto’s, maar aan het Hinterhof, de schaduwstad. Daar staan huizen te midden van huizen, daar trekken grauwe gevels rondom grijze sporen naar de hemel, daar is daglicht verworden tot een luxegoed – met de stad hebben zij niets te maken. Een slaapkamer, een keuken, een douche, twee ramen met folie zodat de mensen er niet naar binnen kijken. Alleen gekken worden er geboren, aan de achterkant van het leven. Gekken en genieën, die later weer gekken zullen zijn. Daar klapperen de vuilcontainers om zeven in de morgen. Daar wordt aangebeld zonder dat je weet waarom. Daar ontspringt het straatleven als de zomer komt; dan trekken de ratten als verblind door het duister naar buiten. Daar verdwijnt de stad in het niets. Daar slaap ik.







