Honderdeenenveertig

Over de rand van de bank keek ik naar het flitsen buiten. De lente ontlaadde zich boven ons, in gedachten telde ik mee. Olmer trok zijn knieën op, sloeg zijn armen er omheen en legde er zijn hoofd te rusten. Zijn handen, zo aanminnig, waarin hij normaal de wereld hield, hielden nu zijn lijf bij elkaar. Alsof het onweerde in een open veld. Ik streelde zacht zijn wang, hij liet zich tegen mijn borst zakken. Wat wist ik eigenlijk van hem, waarom juist mij, had moeder niet altijd – als een soort belofte – gezegd dat er niemand bij me zou blijven?
Leeuwarden lichtte op. Olmer zweeg, net als ik.
Ik dacht aan het onweer boven Almelo, aan het bed waarin ik alleen wegkroop op de kamer naast die van mijn ouders – ik was te moeilijk om mee samen te leven had ze gezegd – en de blauwe, stoffen pyjama die ik droeg. Ik dacht aan de druppels die tegen het slaapkamerraam uiteen sloegen en de heerlijk zachte geur van de door regen verdreven warmte in de tuin wanneer het over was, en die ik mijn kamer liet binnendrijven, om me daarna af te vragen of de lucht die ik opsnoof over de hele wereld zou zijn gereisd en welke landen ik dan zou kunnen ruiken.
Olmer zakte dieper weg, zijn hoofd in mijn schoot, mijn handen gevouwen rond zijn lichaam. Almelo leek geruststellend ver weg.

Honderdzevenentwintig

Geen enkel graf heeft een intrinsieke waarde, met die gedachte had ik vanochtend voor het graf van Sartre en De Beauvoir gestaan. Boven de grafzerk steeg de muur van Cimetière Montparnasse uit, en boven de muur de huizen aan de Boulevard Edgar Quinet, waar de lakens over het balkon hingen te drogen. Het graf was nietig, en het moment betekenisloos.
Op onze toeristische dodentour slenteren we nu over Père Lachaise. Op het informatiebord zoeken we naar bekende namen. De stemming onder de aanwezigen is ingetogen en uitgelaten tegelijk. Het stelletje naast ons wil het graf van Chopin bekijken, want dat was een belangrijke leider in de jaren twintig zeggen ze. We proberen ons tegenover elkaar te distantiëren van dit morbide circus, willen onszelf als toeschouwer zien, maar hebben ons er moedwillig onderdeel van gemaakt.
We wandelen over smalle paden omhoog en laten ons omringen door verweerde en overwoekerde graven, die veelal getuigen van verafgoding van de bewoner, meer dan van zijn aangeheven Schepper. Op de boom naast het graf van Jim Morrison lezen we de door zijn fans beschreven plakkaten kauwgom, en zien de lege blikjes en snoeppapiertjes die in het open graf ernaast zijn gegooid. We lopen verder.
Een flauwe zon probeert ons te bereiken, maar het bladerdek van de oude bomen is te dik. Ik weet niet wat ontzagwekkender is, dit monument van de dood dat zich tegen de heuvel op rouwt of de aanblik van de oneindige, extatische stad onder ons. Angst voel ik voor beide.
Ik ben niets, en daarin ben ik groots.
Het verkeer raast over de Boulevard de Ménilmontant, buiten de poort van Père Lachaise worden plattegronden en souvenirs verkocht, aan de overkant hangen shirts van The Doors in een etalage, ernaast wordt op een veldje gebasketbald. Ik sluit mijn ogen en laat het zonlicht van mijn voorhoofd richting mijn mond glijden.

Honderdzesentwintig

Onder de Grande Arche voel ik hoe mijn spieren zich samenspannen. Het zure gal dat in stelling wordt gebracht om zich een weg naar buiten te breken, ik proef het al, het zit in mijn speeksel. Het plein van La Défense, een vlakke moderne vallei tussen glimmende bergen van glas, waar het kapitalisme op een zonnige dag pijn doet aan je ogen, begint rond me te tollen.
Aan de voet van de Arche, de modernistische triomfboog met haar
sobere trappen die de Spaanse Trappen van Rome tot relieken van nodeloze romantiek degraderen, protesteren Les Indignées, de verontwaardigden, met hun gele vlaggen: weg met het grote geld! Ze verdwijnen in de draaikolk, samen met de Parijzenaren en hun milkshakes van de McDonald’s en de architectuurtoeristen met hun grote camera’s.
De lucht neemt bezit van het land, en andersom, dat is door het draaiende glas nauwelijks te onderscheiden. Ik denk dat ik neerstort, of opstijg, om daarna weer neer te storten.
Wat een plek om te sterven, met Parijs aan mijn voeten.
Ik slik om het braken tegen te houden en zwalk verdwaasd als een discodanser over het lege, zwierende plein.
Het braaksel katapulteert zichzelf over het plaveisel, en ik smak er met mijn lijf achteraan. De grond voelt hard, en behalve het zure lauwwarme poeltje, verdomd koud. Les Indignées schreeuwen: dood aan het kapitalisme!

Honderdvijfentwintig

De dag komt op gang in de Goutte d’Or. Op de Boulevard Barbès openen de winkels en wordt de koopwaar uitgestald op het trottoir. We zijn blanke zonderlingen tussen Afrikanen, één straat verder verkleurt het straatbeeld weer.
We lopen de weg omhoog, zetten onze benen stevig af tegen het asfalt, kronkelen door de steegjes van Montmartre en beklimmen de trappen richting de Sacré-Coeur. Daar wachten de toeristen ons op, die van de andere zijde zijn gekomen.
De wolken drijven uiteen. De beeltenis van Jeanne d’Arc torent triomfantelijk uit boven de stad. Onder haar aanvoering neemt de zon bezit van Parijs, laat haar kalkstenen lijf hoopvol oplichten.
We dwalen zonder plan terug naar beneden en zien alles weer verkleuren. Van de decadente straten van Montmartre waar we in een kiosk een krant kopen, naar de roerige straten van Barbès waar elke hoek wordt bevolkt en we de straatverkopers ontwijken. We nemen de metro en persen ons door de tourniquets van Barbès-Rochechouart, dan de trappen op naar het perron. Op de trappen hangen groepen jongeren, ze slaan grimmige ritmes op de golfplaten wanden, joelen naar voorbijgangers, maken dan gebaren, lachen hard. De mensen lopen stoïcijns door. Vanaf het perron ontrolt zich de stedelijke chaos voor onze ogen: de sporen, de loshangende stroomkabels, de graffiti op de muren, de drukte op de straten, het grauwe en gelaagde landschap van de wijk die tegen de heuvel op klimt. Ik neem het allemaal in me op.
Een zoemer klinkt, de deuren van de metro sluiten, de Parijse dag gaat voort.

Honderdveertien

Marten liet de rubberboot vanaf de oever het Twentekanaal in glijden, met een peddel probeerde hij het knalgele ding aan de kant te houden zodat we er in konden stappen. De boot zakte onder ons gewicht weg in het water.
We zaten tegenover elkaar, in korte broek en met blote voeten die nat werden van de golven water die Marten naar binnen schepte bij het peddelen. Ik koelde er mijn armen mee. De zomer was broeierig, de lucht benauwd. Augustus naderde zijn climax, evenals de vakantie.
Martens gezicht vertrok van inspanning, er hingen zweetdruppels aan zijn lokken, zijn huid glansde alsof hij zojuist was opgepoetst als een koperen standbeeld. Midden op het kanaal hielden we stil. We zakten onderuit, verstrengelden onze benen en lieten onze hoofden wegzakken in de rand van de boot. Daar dreven we rond met onze blik op de verschroeide hemel en onze handen in het water gestoken.
Hij vertelde dat hij later architect zou worden en voor zichzelf het grootste en mooiste huis zou ontwerpen dat de wereld ooit had gezien, vlak bij het kanaal, en dat ik er een eigen kamer zou krijgen. Een lauwe windvlaag deed hem zwijgen, het werd stil, minutenlang. De fijne haartjes van zijn benen voelde ik langs mijn huid bewegen, het tintelde, van mijn voeten tot mijn borst. Ik hoopte dat hij de stilte weer op zou heffen, me aan de hand verder mee zou nemen door zijn dagdromen. Ik wilde voor altijd naar hem blijven luisteren.

Honderdtwee

In het plantsoen aan de Tijhofslaan, aan de rand van het Rosarium (een klein toevluchtsoord voor de bedreigde hogere middenklasse van Almelo, met jarendertigwoningen waar makelaars spontaan van in hun handen wrijven en accountantskantoortjes-aan-huis) speelde een groepje jongens een partijtje voetbal in de inzettende schemer. In het voorbijfietsen deed Nicolas zijn uiterste best om hun overzichtelijke speelveld niet te benijden, maar hij benijdde hem niettemin.
Zijn eigen speelveld had hij tijdens het ouder worden zodanig opgerekt, dat het nu de hele wereld omspande, en een stukje van het heelal, maar het had hem weinig meer gebracht dan een paar plakboeken vol foto’s en geestig bedoelde bijschriften die vlak na het drogen van de inkt al belegen leken, en een gebreide muts uit Peru die hij nooit droeg. Zijn verwachtingen waren te laag geweest om van teleurstelling te kunnen spreken, maar dat hij ondanks zijn reizen vooralsnog geen onomstotelijke waarheden had kunnen ontdekken in het leven was hem niet licht gevallen.
Hij parkeerde zijn fiets in het rek van de supermarkt, en trok een plastic tasje onder zijn snelbinders vandaan. Uit zijn zak viste hij het lijstje met boodschappen.

Honderdéén

De woonkamer rook muf, nog bedompter dan anders. De geur van een verzameld verleden, die opsteeg uit de gehaakte kleedjes en vergeten artefacten, werd verdrongen door de geur van een naderende dood. (Maar misschien was dat alleen in mijn werkelijkheid, omdat ik de feiten kende.) Haar bed was middenin de kamer geschoven, waardoor het plots een ontregeld poppenhuis leek.
Heleen dreigde uit haar bijrol te vallen. Ze ademde zwaar, eigenlijk meer uit lichamelijke gewoonte dan uit noodzaak – ze was door de wereld al als verloren beschouwd. Ik probeerde de diepe groeven in haar gezicht te tellen, markeringen van ouderdom, zoals de jaarringen van een boom.
De witte lakens waarin ze was verpakt contrasteerden met het scenario dat zich aan het ontvouwen was, en waarvan de ontknoping maar moeilijk een verrassing genoemd kon worden. Aan de muur van de kamer hing haar trouwfoto, waar ze eenzelfde witte verpakking droeg, maar meer als een zuurtje, en waarop ze nauwelijks gelukkiger leek dan nu.
Ik kuste haar voorhoofd, dat bezweet was geraakt van een gevecht dat alleen zij kende en dat al het vocht uit haar lippen had getrokken, en soms een kreun aan haar verstofte open mond ontlokte. Ik veegde het nat weg met mijn duim.

Honderd

Honderd dagen verstreken er, daarvan was ik er zeven hoopvol, tien zwaarmoedig en drieëntachtig onverschillig. Wellicht lijk ik vaak onverschillig, misschien wel vaker dan de gemiddelde mens, maar dat interesseert me weinig – een gemiddeld mens is niet meer dan een statistische illusie.
Ik heb in honderd dagen een seizoen doorstaan, en er is een nieuwe aangebroken. Dat ging allemaal vanzelf, ik heb er niet eens voor gebeden zoals velen dat hebben gedaan. Misschien heeft God zich via hun smeekbedes gemanifesteerd in de temperatuurstaatjes en heb ik daar zonder enige inspanning schaamteloos van geprofiteerd. Zolang er mensen blijven bidden, valt enige goddelijke inmenging nu eenmaal niet uit te sluiten, zelfs al zijn hun wensen nog zo tegenstrijdig. Ik wil dat niet graag ontmoedigen.
De enige keer dat ik mij rechtstreeks tot God heb gewend, was toen ik acht was, en het nog honderd dagen duurde voor ik negen zou worden. Aan God vroeg ik of hij er van die honderd één wilde maken. Toen ik de volgende ochtend wakker werd bleken het er gewoon negenennegentig.

Negenennegentig

De meeste lentes van mijn jeugd gingen voorbij in opperste verbazing, en de zomers des te meer. De pracht en praal die ons ten deel viel, aan de hemel ver weg en in de bossen waar we wandelden op zondagmiddag, het tedere lichtspel van de zon op mijn slaapkamervloer, die overviel me telkens weer. Van de winters weet ik weinig nog. Alleen de herfst begreep ik echt, omdat de bomen neerslachtig raakten en de mensen ook.
(Dat doe ik nog steeds.)
Als de lente ontknopte in de takken en aanzwol in de kelen van de meerkoeten aan de kanaaloever vlakbij, dan fietste ik middagen versuft door mijn straat op en neer, alsof ik high werd van de pollen in de lucht, die zo dun voelde dat ik haar nauwelijks kon inademen. Later zag ik steeds meer schoonheid in de lente, gemaakt van opgetogen jeugd en jongensbenen. Schoonheid die verwerd tot een gemis toen ik haar niet meer bezat, en alles enkel nog van herfst leek.

Achtennegentig

Myrthes hand, met Myrthe zelf er aan vast, probeerde me van de vloer van Tivoli te trekken. Ik pakte haar hand vast en gooide hem van me af, terug de kokend hete ruimte in.
“Kom, ik ben het zat.”
“Ik ook”, riep ik.
Zij was het die de weg kwijt aan het raken was, niet ik. Ik nam volstrekte helderheid waar. Misschien was alles zelfs nog nooit zo duidelijk geweest.
De gezichten om me heen dropen van inspanning. Ik herkende niemand, maar dacht dat ik iedereen kende. Iedereen bewoog rond mij, zelfs wie stil probeerde te staan, door de continue golfbeweging die door de zaal trok. Het middelpunt van dat kleine universum was ik.
Myrthe was nergens meer te zien, maar ik had haar toch niet meer nodig. Dit moment zou nooit meer eindigen.

Zevenennegentig

“Ik hou van je.”
De woorden vloekten bij het moment. Over mijn buik lagen twee dagvoorraadjes zaad uitgesmeerd. Het was een mooi patroon, dat zich had gevormd. Met mijn vinger probeerde ik nieuwe figuurtjes te maken, zoals ik laatst iemand met zand op een glasplaat had zien doen.
Mijn zaad was dikker dan het zijne. Dat van hem was een waterige substantie, minder werkbaar.
“Hoorde je wel wat ik zei?”
Ik smeerde het zaad dat aan mijn vinger kleefde af aan zijn heup.
“Jawel. Maar ik weet niet precíes meer wat je zei”, loog ik.
Mijn vinger voelde nog steeds plakkerig. Ik streek door zijn haar. Dat hielp.
“Laat maar”, mompelde hij.
“Oké.”
Ik wilde toch al gaan slapen.
Hij draaide demonstratief op zijn zij. Ik schoof achter hem, met mijn neus in zijn haren.
Het rook er gek.

Zesennegentig

Vanuit de sky bar van het Andel’s Hotel zien we hoe Berlijn zich terugtrekt in de nacht, alsof ze als een puber zo onzeker wordt over haar uiterlijk nu ze zich moet tonen aan het opgedofte uitgaanspubliek. Op de tafel reiken de glazen bier, waarvan de prijs in de stad meestijgt met de hoogte waarop je het drinkt, tot onze neuzen. Ik kan het bier eerder ruiken dan proeven.
Ik wil me met haar terugtrekken in de nacht, schaamtevol als ik zelf ben omdat ik niets van waarde weet vast te houden, om te wachten op de volgende ochtend die alleen maar hoopvoller kan zijn.
Aan onze tafel wordt gezwegen. Ik kijk naar de lichten van de auto’s op de Landsberger Allee, die van en naar de Platz der Vereinten Nationen bewegen, een vergaarbak van functionele lelijkheid en leegte, waar Berlijn in grossiert. De stad biedt zoveel ruimte voor dromen, dat je er makkelijk in kan verdwalen zonder ooit ontdekt te worden.

Vijfennegentig

We trekken door een landschap dat ik herken als de Veluwe, alleen omdat het zo ellendig uitgestrekt is. Ik zou geen boom van een andere kunnen onderscheiden, ook niet als het niet zo donker zou zijn als nu.
De ramen zijn in de avond als spiegels. Er zit één reiziger, aan de andere kant van het gangpad, een jongen die gebleekt wordt door het TL-licht. Hij leest een boek waarvan ik de omslag niet kan zien. Zijn huid lijkt zacht als een vrouw, ik fantaseer mijn hand er overheen, mijn vingers licht gespreid, mijn pink over zijn nek en mijn duim over zijn wang, en daarna door zijn verwarde haar.
Ik leg mijn hoofd tegen het raam en wens te kunnen infiltreren in zijn verhaal, en via het verhaal in zijn gedachten, en daarna onvermijdelijk in zijn bed. (En misschien in zijn herinnering als hij ooit op sterven ligt.)

Vierennegentig

Station Amersfoort. Langs het spoor staan grote klompen steen en beton, skeletten waarin mensen werken en wonen, waar ze geacht worden lief te hebben. Ze doen een poging om een stad te spelen, maar niemand gelooft ze, een tragikomisch effect dat door de rouwgrijze lucht en de gestage regen slechts verder wordt versterkt. Ik beeld me in dat de gebouwen huilen, omdat ze in elkaars ramen hun eigen weerspiegeling zien.

Drieënnegentig

De hotelkamer was clean en functioneel, modern en zonder ziel, precies zoals ik hotelkamers graag heb. Liggend op de spierwitte lakens bekeek ik het even spierwitte plafond. Iets kon niet modern zijn zonder wit te zijn, en deze kamer was zeer modern.
Het hotel, waar voornamelijk zakenreizigers onderdak vonden voor hun koffers en gestreepte pakken, lag aan de rand van Bremen, vlakbij de renbaan die ik niet heb gezien. De huizenblokken in de buurt waren geverfd in pasteltinten. Wat wit was voor moderniteit, dat waren pasteltinten voor armoede, in Nederland tenminste, waar de betonkolossen in de buitenwijken in babyroze en mintgroen werden geverfd. In Duitsland was het misschien eerder traditie.
In de kamer viel de nacht net zo snel in als buiten, misschien zelfs sneller door de vitrage. De uren studie van het plafond hadden maar weinig opgeleverd, behalve de revelaties over kleur, waarvan in het donker maar bitter weinig te ontdekken viel. Van het antwoord dat ik er had willen vinden was evenmin een spoor.

Tweeënnegentig

Toen ik de dood van dichtbij zag, en hij voor mijn ogen van een levende een dode maakte, voelde ik niet de angst die ik normaal voel als iemand mij verhalen vertelt over de dood, of als hij van de bladzijden van het boek druipt, of onaangekondigd uit de televisie schreeuwt; ik voelde volstrekte rust, die pas verdween toen er een gordijn om de dood werd getrokken.
Ik vrees de dood zoals ik een vrouw vrees, met al mijn zinnen, als een onontgonnen landschap waarvan ik alleen de uiterlijke verschijningsvorm ken. De dood behoort niet mij toe, dat weet ik, noch ieder ander die leeft. Voor ons zal er enkel leven zijn, zoals de dood alleen de doden toebehoort.

Selectie januari, februari, maart

De eerste drie maanden van 2012 hebben eenennegentig stukjes opgeleverd, waarvan ik er dertien heb samengevoegd tot een PDF. En die kun je downloaden.

Link: Download PDF eerste kwartaal

Eenennegentig

Toen ik drie maanden oud was, had ik vette krullen, een gezicht als een klapband en was ik veel te dik, zo dik dat ik door een buurjongen per abuis werd aangezien voor een voetbal – een justitieel drama werd door kordaat ingrijpen van mijn vader ternauwernood voorkomen.
Mijn moeder had reeds definitief afstand van me genomen, al vlak na de eerste aanblik op de dag van mijn geboorte, en introduceerde me steevast als een vondeling, een besluit waar ze later op terug zou keren. Dat definitief zelden zijn belofte waarmaakt, ondervond ik daarna nog vaak.
Ik huilde niet, ondanks mijn tijdelijk definitief verstoten zijn, dat was me toen al te min. (Die gedachte kan ik onmogelijk hebben gehad, maar projecteer ik er nu graag op, omdat het me strijdbaar doet lijken, en een tikje verheven boven andere zuigelingen.)
Dat ik in de jaren daarna steeds verder in de lengte uitrekte, terwijl mijn gewicht tot grote vreugde van mijn moeder nagenoeg gelijk bleef, dat was te danken aan haar vele weesgegroetjes, en een uitgekiend dieet. Ik heb er tot op heden vele vruchten door kunnen plukken.

Negentig

De spits is uitgedoofd, de stoplichten springen op oranje. Almelo laat zich toedekken door de avond. In de Grotestraat is de koopstroom opgedroogd, even verderop worden op het Marktplein met veel lawaai de kramen klaargezet voor de zaterdagmarkt. In de vroege ochtend zullen de appels en bananen worden uitgestald op de houten planken, naast de kussenslopen, de rollen stof en de gedroogde noten.
Aan de rand van het plein wordt in het volgepakte Café Nielz gegeten en gedronken. De ramen zijn er altijd beslagen, en de tafeltjes staan er zo dicht op elkaar dat de gasten zich voornamelijk concentreren op de gesprekken van de aangrenzende eters, in plaats van acht te slaan op hun eigen. Als de deur opengaat vervliegt hun praten over het Marktplein, maar ik hoor alleen een kakofonie van geluid waar ik geen woord in kan ontdekken, laat staan een zin.
Iets verder, op het zwerversbankje voor de Albert Heijn, zit nog één man, die onder een alcoholdamp in zijn handen wrijft. Hij praat in zichzelf, zoals ik, maar dan hardop. Ik ga naast hem zitten. Hij kijkt niet naar me, maar trekt zich terug onder zijn zwarte muts, en in de kraag van zijn jas. Ik concentreer me op zijn gesprek, maar ik kan er geen woord in ontdekken.
Laat staan een zin.

Negenentachtig

De lente heeft bezit genomen van Leeuwarden; van het Zaailand met zijn bouwhekken, en van de kromming van de Nieuwestad. Bij La Venezia aan de Nieuweburen vinden de eerste ijsjes gretig aftrek. Zelfs door het naargeestige Droevendal waait het optimisme.
Het was de stad van Olmer. Voor mij waren die twee samengesmolten tot een gedeeld gemis. Ik miste hem tot mijn spieren verzuurden, en na mijn spieren mijn gedachten, en na mijn gedachten de lucht die rond me hing. Door hem miste ik de hele wereld.
Toen ik voor de laatste keer naar Leeuwarden reisde, was de stad in mijn herinnering – of de herinnering aan de stad – zo groot geworden, dat hij tegen Almelo zat aangeplakt, hem misschien wel had opgeslokt. Nu is het weer gewoon een stad ver weg, vol mensen die ik niet ken of waarvan ik ben vergeten dat ik ze heb liefgehad.

Achtentachtig

Derde Weteringdwarsstraat, in de luwte van de Vijzelgracht. Eén van de nerven van de stad waar niet het meertalige monster van het toerisme doorheen jaagt. In een rauwer Amsterdam woonde hier Ramses Shaffy, met aan zijn zijde Joop Admiraal, in een huis waar de muziek tot diep in de nacht door de sponningen trilde en waar het laveren was tussen lege drankflessen. Hier moet hij obsceniteiten hebben geschreeuwd naar voorbijgangers die niet durfden te leven, gespuugd hebben op de Voorzienigheid, vanuit hier de stad hebben liefgehad.
De straat is netjes geplaveid, de huizen zijn keurig, zo keurig als de mensen. Niets doet denken aan die tijd, behalve misschien de gevels van de huizen die hebben overleefd. Ik probeer vat te krijgen op het meerlagige verleden van deze plek, maar ik stuit alleen op mijn eigen herinneringen. Zoals mijn Amsterdam alleen in mij bestaat, zo bestond het Amsterdam van Ramses alleen in hem, en dat van al die voor en na hem kwamen alleen in hun: ontelbaar veel verschillende steden met allen dezelfde naam.

Zevenentachtig

Ik werd uit een koortsige droom gewekt door mijn eigen bonzende hart. Toen mijn ogen zich terstond openden, zagen ze niets: de gordijnen waren zo groot en zo dik, dat de kamer zich schuilhield in de donkerste donkerte. Ik had geen idee of het nog nacht was of dat de dag zonder mij was aangebroken. Hoe laat het werkelijk was kon ik evenmin achterhalen, omdat ik de wekkerradio al eerder had verbannen naar een ander vertrek in de flat.
Misschien waren er wel dagen voorbij gegaan, of weken, hoe kon ik dat weten? Het besef van tijd was reeds in ijl tempo uit me gezogen sinds ik in de flat woonde. Er was niets dat de ene dag wezenlijk onderscheidde van de andere: ik stond halverwege de middag op, waste me een half uur onder de douche, at na het afdrogen twee droge sneetjes brood, nam plaats in mijn stoel, staarde naar buiten tot de avond viel, deed boodschappen wanneer nodig, warmde eten op in de magnetron, staarde weer verder tot halverwege de nacht, en voelde de tijd elke dag vertragen.

Zesentachtig

Een dun streepje ochtendlicht viel door de zware gordijnen van zwart velours en bescheen een kleurrijk festival van dwarrelende stofdeeltjes in de kamer. Tussen het gedreun van vliegtuigen om de drie minuten zocht ik een spoor van welkome vrede in de Amstelveense zondagrust. Lukas sliep nog.
Ik was ontegenzeggelijk niet alleen: mijn lichaam vond dat van Lukas, in de flat leefden honderden studenten, in de vliegtuigen zaten duizenden mensen ingesnoerd. En toch behoorde deze ochtend alleen mij toe. Ik vond enkel eenzaamheid in de zondag, zoals ik dat in zoveel zondagen had gedaan – dezelfde onontkoombare eenzaamheid die zich schuilhoudt in de dood.
(Een eenzaamheid die doet liefhebben, omdat hij je laat vastklampen aan het leven.)
Ik trok Lukas dicht tegen me aan. Zo dicht dat we in elkaar op hadden kunnen gaan.

Vijfentachtig

Door de deur stappen met veel lawaai drie opgeschoten jongens met gladgestreken kapsels en blinkende kettingen. In de kalmte van de late metro ontstaan scheuren. Hun ogen branden als lasers, zouden gaten in het zwaarste metaal kunnen boren. Terwijl er met gif gevuld bloed door hun aderen pompt, praten ze met elkaar in een taal die pulseert van mannelijkheid. Woorden die ik niet begrijp, maar hard en groot klinken, robuust zelfs – zinnen vol verbale geldingsdrang.
De coupé vult zich bij hun binnenkomst op slag met elektrisch geladen deeltjes, gevaarlijk, elk stuk voor stuk zorgvuldig van hun onvoorspelbare lading voorzien en daarna geseksualiseerd tot in de kern. De onuitputtelijke lavastroom hormonen stolt in hun woorden en bewegingen; rauw machismo wordt uitgevoerd als agressieve paringsdans.
Wilde, ongecontroleerde kreten stoten uit hun monden en dringen zich op aan de kleine ondergrondse ruimte waaruit niemand kan ontsnappen. Het is een beestachtig soort janken, moeilijk te verdragen. Dit is waar seksuele dwanghandelingen geboren worden, denk ik, in kolkende puberhoofden als deze.

Vierentachtig

De lucht in Veerles appartement aan de Vijzelgracht was vederlicht. Misschien was het wel daarom dat ik hier zo vaak kwam; voor wrok en wroeging was er hier geen plek. Alles wat bij de deur nog zwaar en van metaal was vervloog als zoete parfum wanneer ik de trap op klom en de deur naar haar speelse domein passeerde.
Het kwam door de geur die er altijd hing: wierook die in mijn eigen huis altijd vies, dik, walmend werd en een verstikkende deken rond me sloeg; die wierook drapeerde rond haar als een zachte Kasjmir shawl. En altijd was er die voor mij mystieke geur van oosters eten, of het nou ‘s avonds was of ‘s ochtends of ‘s nachts tussen onze glazen rood. Een geur die er in mijn huis nooit hing omdat de reuk van Hollandse kost net zo flauwtjes is als de smaak ervan.
Alles in de kamer rook naar dromerig optimisme, een doortrapte naïviteit misschien wel.
Ontkleed lagen we op haar twijfelaar, slechts beschermd voor elkaar door kleine schaamlappen. Een strakke boxershort waarin mannelijkheid moest worden gevormd en gekneed om mijn lijf getrokken, om het hare een setje van het liefste zijde met de dieproze kleur van een rare gebakken entrecôte.
(Het liefst relateerde ik alles aan vlees.)
We krulden tegen elkaar op, mijn buik als een warme vriend tegen haar rug, mijn neus op ontdekkingsreis door haar donkerbruine haren. Het waren uren waarin er maar drie vierkante meter bestond en de rest van de wereld niets dan een statisch behang was. Alle stadsgeluiden die tot ons doordrongen – zelfs de schreeuwende dronkaards – dienden enkel en alleen om onze kloosterrust te onderstrepen.
Diezelfde rust had Veerle gevoeld toen ze voor het eerst de Canto ostinato had gehoord vertelde ze, en precies zo vulden we de uren waarin we aan elkaar geplakt op de gekleurde lapjesdekens lagen, met de canto die de nacht zwanger maakte door de kamer resonerend. De louterende werking van de pianomuziek, die dan weer opzweepte en dan weer verviel in herhalingen van kalmte, weekte ons los van onszelf en lijmde ons vast aan elkaar.

Drieëntachtig

Het is druk in de trein van Deventer naar Almelo. Ik leun tegen de wand in het halletje, tegenover het toilet. Naast me zit op een klapstoel een man van een jaar of veertig. Zwartleren jack met een kraag van imitatiebont, zwarte Puma’s aan zijn voeten, afgedragen spijkerbroek en een ruwe kop met kleine, vette stekeltjes. Tussen zijn voeten houdt hij een wit plastic tasje geklemd, waarin hij zijn voorraad bierblikken bewaart – halve liters. In zijn rechterhand een geopend exemplaar.
Het toilet trekt een continue stroom van reizigers die hun nood willen ledigen. Telkens als de deur open zwaait, neemt een nieuwe geur van menselijke ontlasting bezit van het halletje.
De man op de klapstoel zakt steeds verder onderuit en zweeft haast horizontaal in de lucht. Met een natuurlijke regelmaat neemt hij een slok uit zijn blik. Hij snuift, rochelt, boert en hoest als een geoefend éénmansorkest.
Een Aziatisch meisje met een dikke zwarte bril verdwijnt het toilet in. Terwijl ze druk doende is zwiept de deur steeds iets verder open. De volle coupé dreigt uitzicht te krijgen op het urinerende meisje, dat ongewis is van het aanstaande onheil. Klapstoelman ziet het en schopt met zijn rechterbeen de deur weer in het slot. Met zijn armen houdt hij zich vast aan de stang van de treindeur, terwijl hij in die gymnastische houding met zijn voet de deur gesloten houdt.
“Je mag hier wel voor betaald krijgen”, zeg ik vol bewondering.
Het meisje spoelt door, wurmt zich schijnbaar onbewust van de afgewende ellende weer uit het toilet en laat een pisgeur ontsnappen uit het hok. Geen bedankje.
“Zo zijn vrouwen”, proest hij. Zijn stem als een scheermes.

Tweeëntachtig

Het doffe geluid van vuurwerk breekt door de bedrieglijke stilte van de nacht. De straten zijn leeg, maar in huiskamers wordt geproost op de victorie van Heracles. Bekerfinale, voor het eerst. De stad is in een ingehouden extase, die maar voorzichtig door de muren van de huizen weet te sijpelen. Ik leun over de reling van mijn Frans balkon. Het vuurwerk is uitgestorven en de achtergelaten rust voelt hoopvol.
Ik kijk richting het Indiëterrein, één van de laatste restanten van de Almelose textielgeschiedenis. De stampende machines zijn er bijna allemaal stilgevallen, de grote hallen verlaten. Een deel is al tot stof vermalen om plaats te maken voor woningen. De historie als fundament, de schaamte van de teloorgang voorbij.
Ik sluit de deuren en schenk mijn glas wijn bij. De stad gaat slapen en hult zich tevreden in dekens van vreugde. Ooit zal het weer anders zijn, zal de pijn uit het verleden weer als maagzuur omhoog komen uit de putdeksels. Maar voor even is alles goed.

Eenentachtig

Lukas zat naast me, wegzinkend in de weldaad aan blakende grassprieten van het Vondelpark. We spraken nauwelijks. Rond ons verzamelde zich alles wat jong was, en zichzelf nog onbetwistbaar serieus nam. Vanuit boxjes die aan iPhones werden gehangen, kleurden zwoele zomerbeats de grillige lijnen van het park. Flessen wijn markeerden ieders territorium.
Tussen hem en mij stroomde twintig centimeter lucht die steeds dikker werd. Het voelde alsof alle moleculen van het park naar dat lullige pakket centimeters gezogen werd, waar ze samenpersten tot een solide muur, gemetseld van loodzware brokken lucht. We zouden er nooit doorheen kunnen breken, wist ik.
Onze gezichten plooiden zich naar de principes van de nieuwe triestigheid, haast lachwekkend te midden van de overdaad aan geluk, die voortgedreven door de brandende voorjaarszon door het park trok. Geluk leek voor ons een loffelijk, maar dwaas streven uit een tijd hier ontstellend ver vandaan.

Negenenzeventig

Mijn handen leken vastgevroren aan de ijzeren stangen van het ziekenhuisbed, mijn voeten verzonken in de vloer.
“Het is gebeurd”, waren de enige hardop uitgesproken woorden sinds ik de kamer binnen stormde, als je mijn onbeholpen “nee!” niet mee zou tellen; dat was een uitroep zonder richting, buiten mededinging.
Het kleine lichaampje tussen het geruststellend witte linnen bewoog nog kunstmatig op en neer. Onwillekeurig drong de gedachte aan een fietspomp zich aan me op; het rücksichtslos oppompen van een band waaruit aan alle kanten de lucht hoorbaar vervliegt. Ik probeerde uit schaamte het beeld te zuiveren.
Ik had zo hard als ik kon door de Groningse straten richting ziekenhuis gefietst, dwars door de grenzen van de tijd. Aan de buitenkant voelde ik geen enkele weerstand meer; van binnen werd een vacuüm gecreëerd, waarin elke gedachte aan de binnenkant van mijn hoofd bleef kleven. Toen ik wakker werd was Shaffy dood, daarna ging de telefoon: dat het niet goed ging, dat iedereen onderweg was. Ik fietste zo ongelooflijk hard dat ik er iemand mee tot leven had kunnen wekken.
Het ijzer voelde steeds kouder. Voor mijn ogen ontvouwde zich een tragedie van een moeder, een vader en een kind. Of ik nog bestond wist ik niet, dat wist niemand nog van zichzelf.

Achtenzeventig

De deuren van de restaurants en kroegen op het Kerkplein zijn gesloten. Onder de grauwe Drentse lucht tillen twee jongens spullen uit de achterbak van een auto. Verder staat alles stil. De winkels in de rommelige Grote Kerkstraat lijken ontheemd. Zondagmiddag in Meppel is een somber gedicht.
Ik loop richting het Prinsenplein, waar de nachtelijke zonden van de vloer van plaatselijke discotheek Lord Nelson zijn geboend. De discotheek oogt als een hard geworden steenpuist in een pokdalig stadsgezicht. Bij Herberg ‘t Pleintje zijn tekenen van leven. Het is een klein pandje met een halsgevel en een ooit eens rood, maar lang verweerd zonnescherm.
Binnen rust het bij elkaar geraapte interieur van minstens negen voormalige huiskamers. Kitscherige stapels ‘spullen’, fotolijsten met dikke gouden randen, een fundament van donker hout. De sfeer is geforceerd gemoedelijk. Op krijtborden worden etenswaren aangeprezen. Pistoletje beenham, soep met brood, warme kersen. Het ruikt naar oma.
Met een zondagse tred brengt de barjongen een beker warme chocomel naar mijn tafel. Tussen de spullen zitten meerdere mensen. Een vriendengroep kijkt voetbal, een ouder stel leest een boek, de luidruchtige dorpsgek hangt aan de bar. De zelfverzekerdheid waarmee ze hier zitten laat er geen twijfel over bestaan dat ze stamgasten zijn.
Ik verstop mijn neus in de beker chocomel en kijk uit over het tochtige plein. De lente lijkt ineens weer ver weg. De dorpsgek staat op en groet bij de deur de andere gasten. Tot donderdag, zeggen ze.

Zevenenzeventig

Als een contingent verstekelingen wurmen we ons op de pont richting station. Weg van Noord. Boven het IJ hangen dikke, grijze wolken die het water een reddeloze aanblik geven. Mijn gemoed wordt zwaar. Langs de oevers trekt Amsterdam een nieuwe huid om haar lijf; de opgetrokken bouwblokken staan schouder aan schouder om de oude stad af te schermen.
Lukas plant zijn kin op de rand van de pont en geeft de wind de alleenheerschappij over zijn haren. Ik neem de reizigers in me op, die via andere wegen dan die van Lukas en mij op deze plek en dit moment zijn beland. Voor een paar minuten zijn we het gedeelde decor van elkaars leven, op een drijvend stukje straat.
De pontvaarders vormen een toevallig portret van Amsterdam. Wanneer dadelijk de laadklep de kade aantikt – we zijn stadsvee – lost ons tijdelijke verbond op en zullen we weer verdwijnen in de nerven van de stad.

Zesenzeventig

Door een vitrage kleurt de ondergaande zon de hemel in pasteltinten. De nevel maakt het landschap zacht. Een boerderij aan de voet van de Holterberg is gevangen in een oranje gloed. Ik zou de rust willen hebben om toe te kijken hoe hij beetje bij beetje wordt opgeslokt door het donker, maar de trein heeft geen boodschap aan de trage schoonheid.
Het harde TL-licht van de wagon dringt zich agressief op aan mijn ogen. Het voorbijschietende land laat me jachtig voelen, alsof ik op de huid gezeten wordt door alles dat voorbij gaat. Mijn ademhaling synchroniseert met de snelheid van de trein, mijn spieren spannen zich op vluchtstand; ik voel me een opgejaagd stuk vlees in de felle koplampen van een four wheel drive. Weerloos tegen het voortschrijden van de tijd.
Met mijn ogen dicht probeer ik terug te keren naar de langzame dagen van mijn jeugd, die stuk voor stuk zo lang waren als de jaren van vandaag. Het lukt steeds minder goed. De verbleekte herinneringen komen tot stilstand en lijken steeds meer op de statische jeugdfoto’s die ik thuis in een dik boek bij elkaar heb geplakt: in zwembroek naast een crossfiets in Duitsland, balancerend op een steen midden in een rivier, in een blauwe pyjama op de rand van mijn bed.
De trein mindert vaart.

Vierenzeventig

“Gaat het wel?”
Het klonk bezorgd. Er zat een nerveuze trilling in haar normaal zo zoete stem. Zo had ik haar nog niet eerder horen spreken. Ik lag gestrekt op de zoldervloer. Mijn benen gekruist, mijn armen open. Zoals je ze normaal alleen in een kerk ziet hangen. Ik kon weer iets zien. Ik keek in het gezicht van Veerle.
“Waarom lig je op de vloer?”
Ja, waarom eigenlijk. Daar moest ik even over nadenken. Ik was binnengekomen om naar de computer te lopen die daar stond, dat wist ik nog. Mijn ouders hadden hun computer op zolder staan. Uit het zicht, want het was een onding, zeiden ze. Toen ik hier als puber nog woonde vond ik dat fijn. Toen kon ik er ongestoord porno kijken, zolang ik het kraken van de trap maar in de gaten hield.
Ik wilde nu ook iets kijken. Maar geen porno. Mijn mail, dacht ik. Dat was me blijkbaar niet gelukt, want de computer stond nog uit, en ik lag op de grond.
Veerle hielp me overeind.
“Je doet raar de laatste tijd”, zei ze, terwijl ze het stof van mijn schouders sloeg.
Ik verontschuldigde me.
“Ik voelde me niet zo lekker, dus ben ik maar even gaan liggen.”
Het was alles dat ik kon verzinnen. Ze zei dat ik wel goed op mezelf moest passen. Ik knikte.
Door mijn oren galmde als een sirene een diepe fluittoon.

Drieënzeventig

Omdat ik niet begreep hoe de wasmachine werkte, ramde ik willekeurig op een aantal knopjes die als gevolg begonnen te knipperen. Het deurtje van het modeaquarium sprong open. Met beide handen trok ik het hard geworden pakketje kleren door de ronde opening, smeet het op de grond en probeerde de aan elkaar geplakte klompen textiel onder dreiging van geweld van elkaar te scheiden.
Laat het er nog zijn.
Mijn vingers vertrokken op een wilde, maar systematische expeditie door alle openingen die ze maar tegenkwamen, als een bos dat meter voor meter wordt uitgekamd. Kind vermist. Nergens een spoor.
Ik raakte in paniek. Mijn gedachten waaiden door elkaar. Waarom had ik het in godsnaam niet gelijk gelezen toen ik het uit de brievenbus haalde? Waarom was ik te laf geweest en had ik het bij me gestoken toen ik naar de kroeg vertrok? Natuurlijk, omdat ik wist van wie het onheilspellend kleine briefje afkomstig was, omdat ik dacht dat ik het na een paar biertjes wel aan zou durven het te lezen – niet om het te vergeten, zoals ik nu had gedaan.
In de drijfnatte zak van de spijkerbroek die ik de avond tevoren had gedragen, gleden mijn vingers langs een lapje verdronken pulp, dat eens papier was geweest. Dit moest het zijn. Als een beroepsvisser haalde ik het naar de oppervlakte. Er stond niets meer op, alleen wat vage blauwe strepen. Ik draaide het velletje een keer of tien om, alsof ik het aan beide zijden als een lap vlees dicht wilde schroeien.
Ik probeerde het droog te blazen, misschien zou de inkt dan weer verschijnen. Er gebeurde niets. Op mijn vochtig geworden knieën, met alleen een boxershort om mijn lijf getrokken, zat ik midden in de explosie van kleding met in mijn hand een droevig lot. Ik frommelde het tot een propje, perste het onder hoge druk droog in mijn vuist en vuurde het af als een papieren kogel.

Tweeënzeventig

Ik trok me terug in de stilte die Lukas had achtergelaten, nadat hij zei dat hij van me hield. We kenden elkaar pas een paar weken, hadden nog maar twee keer bij elkaar geslapen en waren één keer samen naar de Ikea geweest. En nu durfde hij al te zeggen dat hij van me hield – iets wat ik altijd nog had kunnen voorkomen.
We lagen in bed, toen hij die als lieflijke streling verpakte vuistslag uitdeelde. Mijn spieren verslapten, en ik liet mijn greep op Lukas’ buik en borst los. De klok tikte in de stilte tien keer harder dan hij normaal al deed. Ik wilde schreeuwen dat hij me dit niet aan mocht doen, maar hij zou het niet begrijpen: ik zou blij moeten zijn. Gelukkig zelfs. Ik begreep het zelf niet eens, maar ik voelde de energie uit me stromen. Ik bezat maar net de kracht om mijn eigen lichaam lief te hebben, laat staan ook nog het zijne.
Hij moet mijn verdoving hebben opgemerkt, want hij draaide zich om en keek me aan als een kind dat door zijn moeder werd verstoten: week en door God verlaten.
Ik kon niet, ik mócht het niet afwijzen, niet terwijl er recht in mijn gezicht een hele jeugd doormidden dreigde te breken. Ik ademde diep in, en liet de zuurstof door mijn lichaam pompen. Mijn arm klemde zich weer rond zijn borst. Alle energie die ik nog over had stuurde ik naar mijn lippen, die zich ophielden bij zijn linkeroor.
“Ik ook van jou.”

Eenenzeventig

Als een langs een liniaal getrokken dikke potloodstreep, zo verdeelt de Gravenallee de wereld in twee gelijke delen. De voormalige oprijlaan van Huize Almelo rekt zich tweeënhalve kilometer uit in het landschap. Een strakgetrokken band elastiek, met aan het ene einde het centrum van Almelo vastgeniet en aan het andere einde het Twentse achterland.
De zon deelt als hoeder van de lente plaagstootjes uit. Aan weerszijden van de laan vormen eeuwenoude bomen een erehaag. Hun takken reiken als armen van reuzen naar de overzijde en grijpen elkaar halverwege stevig bij de pols. In de zomer vormt een bladerdek het dak van een kilometerslange groene tunnel, die in de herfst met kleurrijke confetti het carnaval van verval inluidt. Vandaag breken de takken van de nog kale bomen het zonlicht tot een geometrisch lijnenspel. Over die vlakverdeling fiets ik, met in mijn rug de ogen van de stad.
Ik probeer te tellen hoe vaak mijn trappers rondgaan, van begin tot eind. Telkens als ik voorbij de twintig ben raak ik de tel kwijt. De onrust nestelt zich als een scherpschutter op de rand van mijn gedachten, maar ik fiets door. Over het water van de Loolee, langs het witte tolhuisje en voorbij de bankjes met oud geworden stelletjes maak ik me los van Almelo.

Zeventig

Ik wil weg. Ik moet weg. Over zestien minuten gaat de trein, en het station is zeven minuten lopen vanaf mijn huis. De ramen zijn dicht. De verwarming staat uit. De kookplaat is afgekoeld. Alle lichten doe ik uit. Ik doe er één weer aan. De stekkers. Ik ga alle stekkers na. Ze zitten niet meer in het stopcontact. Dat is goed. Eruit is goed. Ik doe het licht weer uit. En aan. De kookplaat, zeker niet meer warm? Ik voel. De kraan loopt niet. Ik haal mijn hand er onderlangs. Hij wordt niet nat. Stekkers, nogmaals. Mijn ogen glijden langs alle stopcontacten. Het is goed, echt. Uit, het licht. Ik trek de deur achter me dicht. Ik open de deur. Het is donker. Donker is goed. Ik doe nogmaals het licht aan. Ik loop door de kamer om aan de ramen te voelen. Ze zijn gesloten. Kookplaat, stopcontacten, kraan, verwarming. Mijn hand rust op de lichtknop. Uit. De deur kan dicht. Ik steek de sleutel in het slot. Draai. Draai terug. En terug. Haal de sleutel uit het slot. Probeer de deur te openen. Het lukt niet. Hij is dicht. Dicht is goed. Ik loop de trap af. Ik kijk achterom. Ik loop terug omhoog. Ik doe de deurklink naar beneden. Nog steeds dicht. Van onder de deur komt een streepje licht de hal in. Ik doe de sleutel in het slot, open de deur. Straatlantaarn. Ik sluit de deur. Ik rammel aan het slot. Nogmaals. Ik loop de trap af. Ik blijf staan, kijk om. Ik loop door. Door is goed. Nog acht minuten.

Achtenzestig

Mijn benen, die eigenlijk te lang zijn voor dit bad, krommen zich langs de randen, mijn hoofd rust losjes tegen de achterwand. Mijn kin tikt het warme water aan. Voordat ik in bad stap sluit ik altijd eerst de wereld buiten de kamer. De badkamerdeur zit in het slot – terwijl ik alleen in dit huis ben – en het kleine raampje dat net nog op een kier stond, en waardoor ik auto’s de verkeersdrempel hoorde trotseren, is nu gesloten. De halogeenverlichting heb ik uitgedaan en door het raampje schijnt alleen nog wat licht van een strategisch gepositioneerde straatlantaarn.
Mijn ogen heb ik altijd gesloten als ik hier lig. Zo voel ik het beste hoe het water mijn lichaam omarmt. De geluiden die nog doordringen tot de badkamer zijn vervormd en ik voel niet de behoefte om ze te duiden. Met mijn ogen dicht probeer ik me te laten wegvallen in het donker dat ik heb gecreëerd. Alsof ik zoek naar het kleinste ogenblik van gewichtloosheid: een perfect moment waarbij het bad en ik niet langer gebonden zijn aan de aardse wetten van natuurkunde. De geluiden smelten langzaam samen tot een zachtjes dansende streep geluid.

Zevenenzestig

‘Marten, hou je kop d’r nou even bij man.’
Ik lach. Waarom weet ik niet, maar ik lach. Het moet.
‘Verdomme Marten, ik meen het.’
‘Laat me gewoon met rust, ik red me wel.’
Met zijn rechterhand grijpt Damian mijn pols vast. De pols waaraan de hand vastzit die mijn volle glas bier vasthoudt. Met een woeste beweging probeer ik me te ontworstelen aan Damian’s greep. Het bier, dat net nog in mijn glas zat, verspreidt zich over zijn gezicht. Hij knippert hevig met zijn ogen. Druppels glijden via zijn nek richting zijn witte t-shirt. Niet meer te redden. Het glas laat ik vallen. Op de houten vloer breekt het prachtig in stukken.
‘Godver! Godverdomme Marten!’
Met zijn onderarm wrijft Damian over zijn gezicht in een poging het droog te krijgen. De volledige aandacht van de andere tien overgebleven cafégasten hebben we inmiddels al lang getrokken. Toch iets bereikt vanavond.
Ik lach. Alweer. Maar nu harder.
Damian kijkt me aan op een manier die me waarschijnlijk duidelijk moet maken dat het niet leuk is. Deze situatie. Ik vind alles leuk.
‘Stik in je ellende. Voor mij is het klaar.’
Hij draait een kwartslag, grijpt zijn jas van de kapstok en begeeft zich met een aantal ferme passen richting de uitgang van het café.
Ik blijf staan. Van mijn rechterhand glijden nog wat druppels bier richting de vloer. Onder mijn voeten kraakt glas. Ik kijk op naar de andere gasten, die zich om de bar hebben genesteld. Ik lach nog een keer.

Zesenzestig

Het was september geworden, zonder dat iemand me het had verteld. Ik gooide mijn voeten over de rand van de zomer, en nam voor de derde keer een laatste slok uit mijn ogenschijnlijk lege flesje bier. Toch weer een druppel. Ik onderdrukte andermaal de neiging om te vervallen in mijn pre-winterse muziekroutine. Ma plus belle histoire d’amour, c’est vous. Het was niet waar.
Ik wilde het kunnen doorstaan, één herfst, één winter. Niet de pathetiek, de door kermende huisvrouwen doodgemaakte romantische idealen van onbereikbare liefdes. Eeuwig zomer, dat moest het worden. Pijnloos ontdaan van mijn geluksgebruinde huid. Ik nam een vierde slok. Nu echt leeg. Door de kamer spookte een krakende ouverture. Mijn dromen geruisloos weggevoerd. Il neige sur Liege.

Vijfenzestig

Kwart voor zeven. Drie mannen en een leeg perron. Kaal, inhammen en volle haardos. Aktetas, ochtendjas en paraplu in hand. Drie brillen met dik, zwart montuur. Met hun voeten binnen de lijnen van het rokersvlak, een sigaret in hand of mond. Kaal wankelt op zijn rechterbeen. Inham blaast rook naar Haardos en Haardos draait zijn montuur met hoofd naar beneden. Ze zijn stil. Ze kleuren binnen de lijnen de ijzige lucht met rook. Haardos kucht in zijn hand en neemt aansluitend een trek. De laatste as van Kaals sigaret valt deels op de grauwe perrontegels en deels op zijn linkerschoen. Hij schudt het af.
“Over enkele ogenblikken rijdt binnen op spoor 1, de intercity naar Rotterdam.”
Inham zwaait als eerste zijn benen over de streep. In een vlaag van burgerlijke ongehoorzaamheid slingert hij zijn sigaret richting spoor. Drie dikke monturen verspreiden zich. Aktetas, eerste klas. Ochtendjas, tweede klas. Paraplu, stiltecoupé. De trein neemt ze mee.

Drieënzestig

Kon ik maar onafhankelijk van tijd bestaan, dacht Tijmen, om zich er daarna op te betrappen hoe pretentieus hij deze gedachte eigenlijk vond. Zo was hij niet grootgebracht. Vader zou hem een draai om zijn oren hebben gegeven, als hij het had gehoord. Vlug dacht hij aan een vrouw met grote borsten. Dat lukte heel aardig.
Ondertussen was de rij voor de kassa van het snuisterijenwinkeltje weer een halve meter opgeschoven. Had ik de cadeaus maar op een doordeweekse dag gekocht, dacht hij, dan had ik nu niet zoveel tijd gehad om na te denken.
Toen hij aan de beurt was legde hij de twee ovenwanten naast de kassa. Het meisje tegenover hem haalde ze langs een scanner, zonder dat ze daar ogenschijnlijk veel plezier aan beleefde. Ook had ze geen grote borsten.
Hij moest twee euro vijftig betalen. Maal twee. Dat is in totaal vijf euro, berekende Tijmen, iets sneller dan het meisje van de kassa het kon zeggen. Maar dat was niet helemaal eerlijk, wist hij ook. Hij had al viereneenhalve minuut gehad om het uit te kunnen rekenen.
De ovenwanten stopte hij daarna in een wit tasje. De rode kleur, met daarbinnen de print van een koe in een Alpenweide, scheen flauw door het plastic. Moeder zou er zeker blij mee zijn.
Hij trok zijn sjaal iets strakker aan, en stapte tevreden terug de wereld in.
Het waren mooie borsten.

Tweeënzestig

Ik sta voor het raam van mijn flat. Voor me strekt Almelo zich uit. In het donker lijkt de stad oneindig, bij daglicht lang niet groot genoeg. Uit de keuken klinkt een steeds luider wordend gesis. Daarna een klik. Het water kookt. Ik ben ingenomen met de snelheid waarmee het water warm is geworden. Ik mompel iets om mijn genoegen te bekrachtigen. Ik loop naar de keuken en gooi de borrelende inhoud van de waterkoker leeg in de gootsteen, waarin de afwas van de afgelopen week zich heeft opgestapeld. Een goede waterkoker, vind ik, die was het geld wel waard. Maar zin in thee heb ik nu niet.
Uit de koelkast pak ik een flesje bier en loop terug naar het raam. Ik vraag me af wat er zou gebeuren als ik de waterkoker vol bier zou gieten. Ik overdenk het en besluit het niet te doen. In de flat aan de overkant flikkert een lamp op de galerij. Die gaat het niet lang meer redden, denk ik, dat zie je zo. Mijn eigen lampen zijn gedoofd: dan gaan ze ook niet zo snel kapot. Ik neem een slok van mijn bier. Het is een mooie nacht.

Eenenzestig

Ik aarzelde nog, maar Thomas sleurde me mee het bos in voor mijn huis.
“Ik weet het zeker”, kirde hij opgewonden, “bij de derde boom ligt hij.”
We zochten naar een schat, in wat we toen ‘het bos’ noemden en waarvan ik pas veel later zag dat het maar tien bomen waren. Ik groef met mijn handen, Thomas met zijn schep. Hoe we wisten dat er hier een schat moest liggen, dat waren we vergeten.
Thomas was een kop groter dan ik, anderhalf keer zo breed, en zo donker als het zand dat we omhoog haalden. Heel anders dan zijn ouders, die gewoon mijn kleur hadden. Hij was geadopteerd, maar dat wist ik nog maar kort. Eigenlijk had ik er nog nooit over nagedacht, en viel hun kleurverschil me pas op sinds ik dat had gehoord.
De aarde trok in de plooien van mijn knieën en handen, en maakte kleine molshopen onder mijn nagels. Het gat dat we hadden gegraven was zo groot dat we onze hoofden er naast elkaar in konden steken. Toen we dat deden zagen we nergens een schat, alleen een regenworm.
“Er is helemaal geen schat,” riep ik uit toen we de aarde uit onze haren schudden, “je hebt gelogen.” Ik krulde een teleurgestelde lip naar Thomas. Die sloeg me met de schep op mijn hoofd.
Daarna werd het bos steeds donkerder en fonkelden er gouden sterren aan de hemel.

Zestig

De kerk raakte gevuld met de onheilstijding van het orgel. Mijn mond was droog, de lucht proefde dik en zwaar. Het pad van het altaar naar de kerkdeur voelde als drijfzand. Elk moment konden we als vier hulpeloze jongens wegzakken in de ondergrond, met dat kistje tussen ons in geklemd. Ieder bankje in de kerk was bezet. De dood van een kind, dáár wilde iedereen wel bij zijn. We probeerden gelijke pas te houden, terwijl we tussen de rijen opgestane rouwenden door schuifelden. Wij weerspiegelden hun verdriet, zij weerspiegelden onze schaamte.
Misschien kwam het doordat we onze stappen steeds kleiner maakten, maar wat in werkelijkheid driehonderd meter was leek een helletocht van kilometers te worden. Ergens aan het einde van dit alles wachtte een gat in de grond, dat we probeerden te ontlopen.
De optocht van rouwbeklag achter ons drukte op onze schouders. Wat als we niet de gang naar het graf zouden maken, dacht ik, maar linksom het dorp in zouden rennen. Ik wist dat we haar dood niet konden terugdraaien door hem niet te erkennen, maar ik voelde me laf en vies. We boden nauwelijks verzet, en schikten ons gewillig naar de mores van een God, wiens bestaan ik hier niet openlijk in twijfel durfde trekken. Ik was een verrader.
Het kleine lichaampje gevangen in houten schotten, dat tijdens het lopen steeds zwaarder was geworden, zagen we lijdzaam wegzakken in de aarde. Ik schudde de medeplichtigheid uit mijn kop.

Negenenvijftig

De wekkerradio krijst me de morgen in, en het bed uit waar ik me vijf uur geleden in verschanst heb. Elke dag heeft een begin en een eind gekregen; een perfect omlijnde pagina van een scheurkalender. Hoe anders dan de tijd waarin de dagen in elkaar verdwenen, zonder enige begrenzing, waarin het enkel soms donker en dan weer licht werd.
Vanuit de douchekop regent het op mijn hoofd. Met de geur van mint was ik mijn huid. Achter mijn oogleden duurt de nacht voort. Dat ik verlang naar de dagen die als de pagina’s van een vergeten boek aan elkaar geplakt zaten, is niet meer relevant. De wereld wacht.
Ik trek de voordeur dicht en herkauw het droog geworden bruinbrood. Door de lange, bakstenen gang van het flatgebouw, waar ouderdom zich als een ongenode gast opdringt aan mijn neus, volbreng ik de dagelijkse routine; de haastige tocht naar de buitenlucht.
In de verte station Almelo. Daar vertrekken treinen naar Amsterdam en Berlijn, en staan mensen met koffers en slaperige gedachten te wachten. Linksaf, daar verdrijft de wind mijn dreigende herinneringen, en fiets ik recht op mijn doel af: dinsdag.

Achtenvijftig

Ik ademde de stilte in, die tot de kern van elke molecuul in de flat was doorgedrongen, en doorbrak haar door het laten leeglopen van mijn eigen longen. Hoe langer ik luisterde, hoe meer ik besefte dat er überhaupt geen stilte heerste. Ik filterde slechts een hoop geluiden uit mijn bewustzijn, alsof ze er niet toe deden, alsof ze minderwaardig waren. Maar was het tikken van de verwarmingsbuizen dan een geluid zonder bestaansrecht? En het slaan van een deur ergens op de galerij, het voorbijrijden van een auto op de straat zes verdiepingen onder mij, het kraaien van de schoolkinderen in het speelkwartier, het vullen van de stortbak van de buren, waren zij niet relevant? Wat een onbenul, om te denken dat dat stilte was. En dan de klok, die systematisch aftelde naar God weet wat en God weet wanneer; om die te negeren was wel het toppunt van arrogantie.
Dagen, wéken waren er voorbij gegaan waarin ik dacht dat ik in stilte leefde, een cocon waarin niets nog door kon dringen. En nu schoot ineens elke trilling mijn oorschelp binnen, bleek mijn wereld een rijke collage van geluid, en was ik het plots zelf die al die tijd niet had willen horen.
Juist de volstrekte afzondering van de voorbije tijd, de meest basale eenzaamheid die ik ooit had gevoeld, juist die was ontstellend snel gegaan; of beter gezegd zelfs zonder enig besef van tijd. Geen waarneming en geen tijd, het absolute niets.
En nu, nu ik weer waarnam, alles langzaam weer op zijn vaste vertrouwde plek viel, en het ritme van de andere mensen doorsijpelde tot mijn eigen ritmeloze bestaan – pas nu besefte ik hoe ontstellend traag alles ging.

Zevenenvijftig

De nacht heb ik doorgebracht in het voormalige Kruisherenklooster – omgebouwd tot studentenhuis – dat nu dagelijks zijn zedelijke verval als een tot op het bot vernederde dwangarbeider moet tonen aan het voorbijrazende verkeer op de Rijksweg A4.
Ik voel enige verwantschap, zoals ik hier langs de vierbaansweg sta te wachten op de bus naar station Leiden. Halte Vrouwenweg. In mijn lijf is een divisie bloedsoldaten druk doende alle schade van de afgelopen nacht te herstellen. Af en toe prikt er zonlicht in mijn ogen, onmiddellijk gevolgd door een scheut hoofdpijn. Alles voelt tot pulp geslagen, zelfs mijn gedachten, maar het is een gelukzalig soort murw zijn; omdat hij bewijs is van leven, niet van een naderende dood.
Een tijdelijk en vals geluk, natuurlijk; maar niettemin.
Mijn dood zie ik al lang niet meer als de gracieuze verlosser van ouderdom, waar ik hem in mijn jeugd voor hield. Gaandeweg bleek hij de gezworen vijand van het leven, de personificatie van volstrekte willekeur, een perversiteit die zich in meisjes van drie nestelde.
Toen ik dat begreep draaide mijn maag om, en de rest van de wereld met haar. Net als nu, in de vooruitgesnelde Leidse voorjaarszon, mijn maag omdraait.

Zesenvijftig

Ik vul het glas droë rooi bij en zet het aan zijn smalle lippen, die zich door de geur van alcohol als geconditioneerd van elkaar verwijderen. Eris neemt een slok en speelt stoïcijns door. Ravel. Op de Steenstraat zijn mensen onderweg naar hun zaterdagavond. Door het open raam vermengen de gloedvolle gesprekken zich met het pianospel. Vanuit pizzeria Napolitana dringt de lucht van aangebrande korsten deeg het Leidse studentenhuis binnen.
“Ik heb geen moraal,” zei Eris me eerder eens, met een niet mis te verstane trots. Hij wist ook wel dat dat niet mogelijk was, maar hij liet geen kans onbenut om de filosofie van zijn zedeloze bestaan met gedetailleerde verhandelingen over orgies van drank, drugs en seks te onderstrepen. Epicurus zou de muren rond zijn tuin hebben laten verhogen, om deze dissonant buiten te houden.
Eris’ zeventienjarige vingers springen volgens een delicate choreografie over de toetsen. Zo snel en zacht – je zou ze nauwelijks voelen op je huid – dat je er kwetsbaarheid in zou kunnen vermoeden, als je niet beter wist.
Hij is de muze en de kunstenaar ineen. Met vijvers als ogen, maar zo bruin dat je niet weet of er ergens nog wel een bodem onder zit. De onpeilbare diepte – een leegte waar geen absolute waarheden meer kunnen overleven. Als de grens tussen mijn feit en fictie dun is, dan is die van Eris niet bestaand.

Vijfenvijftig

De nacht slaat neer op de straten rond het Plein. Tussen clubs en kroegen woedt een oorlog van decibels. Vrouwen en mannen trekken als een sterrenstelsel naar elkaar toe. Den Haag bedekt haar gezicht met een sluier van promiscuïteit. We lopen richting tram, weg van hier, bestemming Holland Spoor. Een naam die me altijd tot de verbeelding heeft gesproken, omdat hij doet denken aan grote klassieke stationshallen met vergulde daken, waar stoomlocomotieven puffend binnenrollen en vermoeid hun laatste adem uitblazen.
Achter ons spreekt een groepje jongens een tweedimensionale taal die ik nauwelijks herken, en waar elke diepte uit lijkt weggeslopen. Ik kantel mijn hoofd tegen het raam van de tram en zie de stad onder een hoek van vijfenveertig graden wegglijden in de tramrails.
Door het half geopende raam op de zestiende verdieping zweven doorlopend stadsgeluiden naar binnen. We zitten naast elkaar op de chaise longue, drinken onze zojuist in de nachtwinkel gekochte wijnfles leeg en waken over Den Haag. De hele nacht wil ik luisteren naar hoe ze ademt.

Vierenvijftig

De wereld is opgebouwd uit tonen van grijs. Alsof ik vanochtend ben opgestaan met een filter voor mijn ogen, zo is alle kleur uit de dag gezogen. Ik loop door de binnenstad van Almelo, waar de laatste resten van het textielverleden door afvoerputjes worden weggespoeld. Onder het grijze juk lijkt de stad terneergeslagen. Ik vlucht uit haar hart en zoek haar achterkant op.
Op een muurtje bij het Kolkje ga ik zitten. Hier laat de stad haar hoofd in haar handen zakken en wordt een etterende puist zichtbaar in haar nek. Naargeestig vergroeide ruggen van winkelpanden, ramen met baksteengaten, een plas water waarin aluminium blikjes varen, een kademuur van joints en condooms. Alles zweet van schaamte.
Tussen de nog kale bomen aan de overkant van het water gloort een rijk verleden, daar probeert Huize Almelo zich op te richten uit de armoede. Het tracht triomfantelijk de dofheid te trotseren. Het kasteel staat met de rug naar de stad, alsof het haar naam nog wel wil dragen, maar haar niet langer in het gezicht durft te kijken.

Drieënvijftig

Olmer liet me los, draaide zich om en stak het kruispunt over richting station Almelo. Ik voelde alles zwaar worden, in mijn oren zwol een diepe grondtoon aan, als een bromvlieg die in een nanoseconde evolueerde tot een Hercules. Om ons heen stond alles stil, hij was de enige die tegen de drukgolf in bewoog.
Nooit eerder was ik me zo bewust van het moment waarop verleden en toekomst zich definitief van elkaar losmaken. Tussen ons in lag het heden, dat steeds uitgestrekter werd, een steeds groter wordend gapend niets, waarin alles verdween. Ik had zijn passen willen vertragen, de tijd willen hebben om de afgelopen negen maanden frame voor frame terug te kijken, en te zien welke lijntjes ik opnieuw zou kunnen trekken zodat hij hier niet van me vandaan liep.
Aan mijn voeten waren stoeptegels vastgegroeid. Elke stap die ik in zijn richting wilde zetten eindigde op precies dezelfde plek. Ik was gevangen in mijn eigen schuldbesef. Er was geen keuze, anders dan me om te draaien. Olmer en ik, met de ruggen naar elkaar, met dubbele snelheid van elkaar verwijderd, als in een westernduel dat nooit zou eindigen.

Tweeënvijftig

“Wil je koffie?”
“Thee.”
Altijd thee. Dat moest ze onderhand toch wel weten, “V.M. van Havelte-Roessink, praktijk voor psychologie”, zoals er op het zilverkleurige bordje in de tuin stond.
“Dan neem ik dat ook,” zei ze.
Het dunne plastic roerstaafje, waarmee ze twee suikerklontjes liet opjagen en oplossen in haar eigen roestkleurige water, schuurde langs de binnenkant van het papieren bekertje. De geluidsgolf dijde uit en leek bezit te nemen van de kamer, zolang we stil bleven. Ik beet op mijn onderlip. Het stopte.
We keken elkaar aan, terwijl we onze bekertjes naar onze monden brachten en er gelijktijdig in begonnen te blazen. We lieten verkoelende zuchtjes wind over de oppervlakte glijden.
In de spreekkamer overheerste de vergankelijkheid. De muren waren wit en bladderden af, langs de wand stond een kleine boekenkast van Ikea te verstoffen en in de hoek werd een kamerplant vergeten, met bruine randen langs het blad. In het wiskundige midden twee zwart gestoffeerde aluminium stoelen, met een laag eikenhouten salontafeltje er tussen. Daar zwegen wij.
Ik zette het bekertje terug op tafel, zonder er een slok van te nemen. De thee was nog te warm.
“Hoe gaat het met je?”
“Het gaat goed.”
Ze knikte en antwoordde dat ze dat aan me zag.
Dat ik loog was irrelevant, ook voor haar. We zochten hier al lang niet meer naar waarheid, al sinds ik het bestaan ervan ontkende in onze tweede ontmoeting, zeventien weken geleden. We zochten alleen nog naar een nette uitweg.
“Misschien moeten we het hier dan maar bij laten.”
“Ja. Misschien wel.”
We dronken elkaars opluchting. Ik brandde alsnog mijn tong aan het hete water.

Eenenvijftig

Groningen, Steentilstraat, middaguur. De proefdraaiende lente was gevangen tussen de huizen. Bij fietshandel Ferwerda rammelden kettingen en bellen. Ik vouwde me in de vensterbank van het opengeslagen raam van mijn zolderkamer.
Alleen maar kijken.
Studentenmeisjes droegen voorzichtige rokjes, studentenjongens droegen mijn ogen in hun rug. Groepjes Antillianen – ik dacht dat het Antillianen waren – blokkeerden zoals altijd de stoepen voor de coffeeshops in de straat. Uit mijn t-shirt waaiden de sporen van Olmers geur.
We hadden nauwelijks bestaansrecht buiten deze kamer, hij en ik. Onbetwistbare heersers van de liefde in ons eigen universum (waar niemand het iets interesseerde), en daarbuiten slechts opgaand in de vormeloze massa. Daarom bleven we hier, zoveel mogelijk hier. Regen we uren aaneen tot ze dagen werden, en dagen tot het niet meer uitmaakte hoe lang: heersers zetten de tijd naar hun hand.
Ik liet één been vervaarlijk uit het raam bungelen, zwaaiend boven de hoofden van de passerende mensen, trok denkbeeldige cirkeltjes rond hun kruinen. De wind schreef een hoopvol gedicht op mijn voorhoofd en wangen. Beneden stak iemand een joint op. Ik snoof het laatste restje uit de kraag van mijn shirt.

Vijftig

Een stewardess duwt twee vaasjes bier in mijn handen. Ik druk een glas tegen dat van een monnik op sportschoenen. Het schuimt slaat als stormvloed over de rand. Ik probeer een gesprek te voeren met een voluptueuze verpleegster, maar onze films spelen op verschillende snelheden (die van haar draait sneller).
Dus we schreeuwen maar wat.
We ademen elkaars gebruikte lucht in en vallen op de voorspelbare beat van de zoveelste carnavalskraker om de schouders van mensen die we voorheen niet kenden – en na vandaag opnieuw niet zullen kennen. We dragen elkaars zweet als parfum en verheffen het absurdisme tot onze religie.
Ik wil doorgaan, de nacht in, Oldenzaal zich voor me laten uitkleden, niets meer van elkaar kunnen onderscheiden – alles een continue beweging van geluk. Tegen beter weten in.
Ik moet zitten.
Overtuig jezelf dat het goed gaat, dat je niet kapot gaat. Drink nog wat meer. Alles klopt, zeg hardop dat alles klopt.
De muziek verhult niet langer dat alles zeer doet, maar beukt kraters in mijn lichaam. Elke zenuw slaat alarm. Ik wil dwars door de pijn dansen, maar de pijn danst dwars door mij.

Negenenveertig

De bus is leeg, op de chauffeur en mij na. Hij voorin – immers, waar anders – ik halverwege. Lijn 64, van Almelo naar Overdinkel, snijdt anderhalf uur chirurgisch door de ziel van Twente. We zeggen niets, zoals hier goed gebruik is. De essen van het katholieke achterland glooien langs de mistige ramen van de bus, stapelen eeuwen aan geschiedenis op tot tastbare heuvels.
Het voelt alsof we mijn jeugd binnendringen. Niet dat ik er ooit woonde, langs deze weg tussen Vasse en Ootmarsum, in deze boerderijen, in dit uitgekristalliseerde Twentse volkslied – dit landschap om lief te hebben.
(Een landschap dat Ton Schulten aan stukken zou knippen, en in grote vaten vol kleur zou onderdompelen.)
Nee, wonen deed ik hier nooit. En toch voel ik hier mijn oorsprong, wens ik dat ik dit tot mijn moederschoot zou kunnen maken. Ik zou hier thuis willen komen in mijn eigen geschiedenis, maar niemand kent me hier.
Iedereen moet vergeten zijn hoe we langs deze weilanden fietsten, met treetjes bier onder onze bagagedragers, hoe we dronken op onze rug in het gras lagen en de hemel het Twentse land voelden opslokken.

Achtenveertig

Vanaf de bovenste verdieping van de bibliotheek kijken we – benen over elkaar geslagen, telefoon in de hand – met een kop koffie neer op Amsterdam, alsof we ons verheven voelen boven de stad, die zich als een levensgrote maquette voor ons neerlegt.
Daar, aan onze voeten, krioelen toeristen door het erfgoedmuseum, dat menig pretpark het schaamrood op de kaken zal bezorgen. Door trams klinken er stemmen van conducteurs die provinciale reizigers met Mokumse bitsheid wijzen op het verschil tussen ingang en uitgang. Uit de straten en stegen stijgen duizenden gesprekken op, in evenzoveel talen. Ik zit te hoog om ze te horen.
Het voelt hautain, zo de stad te aanschouwen, er niet echt onderdeel van te willen zijn. Terwijl ik naar haar toe gezogen wordt, hoe langer ik haar grillige vormen bestudeer – kijk naar de manier waarop de mensenstromen door haar vezels kronkelen. Het is daar waar ik me wil bewegen, door haar oneffenheden, tussen de mensen die net als ik de weg niet kennen.

Zevenenveertig

Om zeven over half vijf springen mijn ogen voor de achtste keer deze nacht open. Van koortszweet doordrenkte lakens plakken aan mijn huid en ruiken naar ziekte. Mijn hart probeert een passend ritme te vinden. Er drukt al uren iets op mijn hoofd, waarvan ik niet weet of het nu de dood is of het leven. De lucht is ijl.
Het onderscheid tussen wakker zijn en slapen verdwijnt. Alles lijkt een groot absurdistisch toneelstuk, waarin het verleden het heden vertroebelt. Mensen die al lang zijn overleden staan aan mijn bedrand met zelfgemaakte tekeningen en boeken om te lezen, van W.F. Hermans en Daphne Deckers. Jeugdvrienden deppen in toerbeurt het zweet op mijn voorhoofd met kanten zakdoekjes. Er lopen liedteksten door het beeld die ik van vroeger ken, maar al lang vergeten dacht te zijn.
De stilte is elektrisch geladen, het niets zoemt door de vroege morgen. Het bloed gaat in stroomversnelling langs mijn slapen. Al wat ik kan is mijn ogen sluiten.

Zesenveertig

De vorst is verdreven van het land, teruggedrongen tot ver voorbij de Duitse grens. Het ijs op de vaarten ligt er moegestreden bij, als een rol uitgeknepen noppenfolie. Koek en zopie lijken woorden uit een andere tijd, ver van deze. Uit de grijsgewassen hemel vallen waterige sneeuwplukken op mijn schouders, waar ze zich ontdoen van hun witte mantel. Het riet wuift naar de naderende lente.
Lukas sloeg zijn arm plichtmatig om mijn middel, toen we hier aan het einde van de zomer en het begin van de zomeravond door de Friese wateren dreven. Motor uit, nauwelijks wind, lachende kinderen in de verte. De zon zette een handtekening op mijn onbedekte huid. Door de rietkragen heen kwam de Achmeatoren omhoog vanuit de horizon, als een glanzende schoorsteen van Leeuwarden – een stad die ik nog niet kende. Als ik goed had gekeken, had ik aan de bomen langs de vaart de eerste verkleuring van het blad al kunnen zien.

Vijfenveertig

Mijn spijkerbroek en boxershort gooi ik op de pluizige vloerbedekking naast het bed, waar mijn blouse al een tekening van mijn lichaam maakt. Ik wil me niet verschuilen onder lagen van textiel of achter gekunstelde zinnen. Voor de verleiding van de dood wil ik naakt zijn.
Ik schuif over de koude matras en wikkel me als bescherming tegen de winter in twee zomerdekbedden. De bedbodem kraakt, de stilte breekt in tweeën en wordt zorgvuldig weer aan elkaar gelijmd.
Het donker in de kamer is absoluut. Ik voel me steeds kleiner worden, zoals in de terugkerende droom waarin de ruimte almaar blijft groeien en ik almaar nietiger wordt. Dat er nu nog muren en een plafond zijn die de kamer begrenzen, is slechts een kwestie van vertrouwen.
In het theater tussen mijn ogen en mijn oogleden ontvouwt zich het universum.

Vierenveertig

Zolang ik me kan herinneren raak ik geïntimideerd door mensen die veel lijken te weten, en meer nog door mensen die veel lijken te begrijpen. In mijn eigen zoektocht naar zekerheden ontdek ik alleen maar meer chaos. Uit wanhoop probeer ik nu de waarheid uit een whiskyfles te drinken, maar zodra ik de bodem raak weet ik nog steeds even weinig: nauwelijks meer dan niets.
De oude Van Alsteren – een gedistingeerde heer met een sigaar en een bittere afdronk, die ik enkel kende van onze nachtelijke onderonsjes aan de bar van café De Prins – zei me eens dat er uit elk antwoord dat je vindt minimaal twee nieuwe vragen ontstaan. Dat betekent, beweerde hij gedragen en beneveld door jenever, dat een mens aan het einde van zijn leven veel en veel minder begrijpt dan wanneer hij er aan begint. Nadat hij zenuwachtig aan zijn geblokte vlinderdasje morrelde en de mouwen van zijn tweedjasje gladstreek, proostten we lichthartig op de tragiek van dat besef.
Ik wist dat hij gelijk had.
Toen hij niet lang na ons laatste gesprek als antwoord op zijn eigen geleidelijke aftakeling een einde aan zijn leven maakte, heb ik op zijn kist een handgeschreven briefje met twee nieuwe vragen gelegd.

Drieënveertig

Langs het kaarsrechte fietspad, dat voorbij de horizon in mijn klaslokaal eindigt, loopt een slootje, waarover ik al heel vaak van kant naar kant ben gesprongen. In de zomer is het gras er lekker zacht en zompig, tekent het groene strepen op mijn witte sportschoenen, die mijn moeder er dan weer met een hardharige borstel afpoetst, terwijl ze haar wenkbrauwen naar elkaar toetrekt en plooien boven haar neus krijgt. Haar gezicht is dan een boos landschap.
Nu is de de sloot bevroren, de waterkant hardvochtig, doet het zeer aan mijn enkels als ik spring. Vorig jaar zakte Thomas in een overmoedige bui nog door het pas gevormde ijsvliesje, nu loopt hij er aan mijn hand zo snel mogelijk aan voorbij naar school.
Twintig jaar geleden was het hier een weiland, weet ik. Toen stonden er nog geen huizen, behalve één: de boerderij waar nu meneer Mulder woont, en die tussen de grauwe blokken rijtjeswoningen eenzamer moet lijken dan toen hij nog alleen in de weide stond. Misschien sprongen er toen koeien over mijn sloot, zoals ik dat doe, kregen ze vettige groene strepen op hun witte vacht.
Aan de andere kant van het fietspad, dat elke dag langer lijkt en misschien op een dag nooit meer eindigt, staan dichtbegroeide heggen en bleke schuttingen die me altijd nieuwsgierig maken naar wat daarachter gebeurt. Ik heb er één keer door een coniferenhaag gegluurd, de takken aan de kant geschoven en mijn neus er doorheen gedrukt. Het was heel erg warm en mevrouw Hazelhof lag zonder kleren op een handdoek. Haar borsten vielen langs beide kanten van haar lichaam richting de grond. Ze leken teleurgesteld. Ik begreep niet waarom, want het was een mooie dag. Toen ze me zag knipoogde ze naar me. Daarna heb ik nooit meer gekeken.

Tweeënveertig

“Denk je dat we morgen wel weer wakker worden, Luuk?”, fluister ik, terwijl ik een kleine wervelwind door zijn oorschelp blaas.
Al sinds de eerste keer dat we samen in bed lagen, en onze lijven zich aan elkaar voorstelden, vraag ik het aan hem, vlak voordat hij in slaap valt.
Hij produceert een kreunend bewijs van halfslaap.
Ik weet dat Lukas wil zeggen dat ik er mee op moet houden, dat er geen twijfel over bestaat dat we wakker gaan worden, en dat als ik toch dood wil gaan, ik dat maar mooi ergens anders moet doen en niet in zijn bed. Hij wil ontbranden van binnen, ongeremd, omdat ik het zo vaak doe en zo zijn rotsvaste vertrouwen in de onsterfelijkheid om zeep help. Hij wil zijn hak in mijn scheenbeen drukken, en zeggen dat ik in naam van Jezus (vzmh) mijn bek er eens over moet houden, het nooit meer aan hem mag vragen, om me vervolgens vol op mijn lippen te zoenen en de oneindigheid voor eens en altijd te bezegelen.
Maar daar is hij te moe voor.
“Tuurlijk worden we dat”, mompelt hij uit gewoonte.
Ik ben tevreden. Twee jongens met alle antwoorden liggen als in elkaar gedrukte vraagtekens op de matras.

Eenenveertig

De massa ijs schokt tegen de kustlijn van Delfzijl, en kruipt omhoog langs de poten van het Eemshotel, dat over de dijk en in de Waddenzee gesprongen is. Al lang geleden, te zien aan de verweerde beplating die de gevel bij elkaar houdt, en de vergeelde vitrage die treurt voor de gevangenisramen. Het hotel is een vooruitgeschoven post van de menselijke vergankelijkheid, met in zijn kielzog het kraken van een stad die krimpt onder het geweld van een koude winterdag.
Verderop langs de dijk staat het monument voor Ede Staal, vlakbij de haven van Delfzijl. Een trotse roestige kegel, die prikt in de blauwe zeehemel. Melancholische liedteksten steken omhoog en waken over het Groningse land, beschermen haar tegen de natuurlijke vijandigheid, torenen hoog uit boven de stad die alleen maar verliest. Niet meer aan de zee, maar aan het gulzige achterland.
Ik kijk, met de zeewind stekend in mijn rug, over de restanten van de stad, en de lege velden waar ooit huizen stonden. Iedereen die hier nog woont draagt trots of uitzichtloosheid in zijn borst.

Veertig

Op het podium van de volgepakte kleine zaal van de Oosterpoort speelt Spinvis liedjes vol warrige dromen. Ik luister maar half. Fragmenten van de muziek dwarrelen door mijn gedachten. Ik denk dat ik Olmer zie zitten, zoals ik hem al in duizendvoud zag zitten en staan en voor me uit lopen deze avond. Blijkbaar ligt zijn prototype nu ergens onder een kopieerapparaat, en worden er dagelijks honderden Olmers uitgespuugd.
Maar nu weet ik het zeker. Twijfel lijkt iets uit een verleden dat ik nauwelijks nog herken.
Hij zit beneden in de zaal, eerste rij, rechterkant. Zijn haar zit nog steeds zoals ik het ken. Misschien heeft het nooit meer gewaaid rond zijn hoofd, sinds ik hem voor het laatst zag. Heeft hij nooit meer een nacht geslapen, heeft er nooit iemand een hand door zijn haar gehaald in anderhalf jaar tijd. Niet de troostende hand van zijn moeder, laat staan de onbeschaamd geile hand van een jongen die ik niet ken.
Ik zit op het balkon, weggestopt, mijn kruin bijna tegen het plafond. Ik zie nauwelijks nog iets door het dansende zaallicht, maar het moet hem zijn. Hij verdwijnt in het donkere einde van een lied.
“Dan wordt het stil – zeker, maar er is nog wat tijd”
Een zoeklicht springt op mijn zekere Olmer, die zijn vriendin kust.
Wat als ik het niet meer weet, schiet het door me heen, en ik een ten diepste verwrongen herinnering najaag. Wat als ik al lang vergeten ben hoe hij er uitziet.

Negenendertig

Iedereen heeft iets van Olmer gestolen, of ze nu man zijn of vrouw. Iedere tien meter draagt er iemand zijn haar, om elke hoek verbergt er iemand zijn ogen, overal word ik ingehaald door onbetekenende schimmen die lopen zoals hij loopt. Hij is bevroren in mijn tijd.
Hoe vaker ik Olmers trekken in mensen herken, hoe meer ik me afvraag of er wel daadwerkelijk andere mensen bestaan dan hij en ik. Misschien zijn al die miljarden hoofden, buiken, borsten, enkels en gedachtekronkels slechts minieme variaties op die van ons. Of slechts uitvergrotingen van delen van Olmer en mij. Worden we omringd door cabareteske parodieën van onszelf, zoals in het spiegelpaleis op de kermis, waar ik na de eerste keer nooit meer in durfde, omdat ik er tegen mijn wil oneindig werd opgesplitst.

Achtendertig

Ik schuifel in gedachten langs je lippen. Twee-aan-twee. Haal adem. Nog een keer. Nog één keer.
Ik verklaar hardop de liefde aan de hemel. Maar de hemel dooft.
De radio speelt (“Had a northern lad – well not exactly had”), maar ik hoor het niet.
Er is geen uitweg uit een stilte als deze. De tonen ontsnappen aan de muziek en spoelen door de ondergrond. De woorden lossen op in chaos.
Ik heb uren geteld, ben seconden vergeten, heb dagen afgestreept in het luchtledige. De lucht zweet inkt.
Ik heb in je woorden geschuild en ben in je kleren gekropen. Alles wat jouw geur draagt, ruikt nu bedorven.
De eindigheid nog nooit zo oneindig.
“Lekker waarm in mien aarms – in dien aarms”
Ik dans achterstevoren door de kamer, maar hoor nog steeds niets.
Het hout werkt onder mijn voeten. Het barst, versplintert. Ik beweeg over het koude beton.
Het behang scheurt van de wanden. De muren trekken scheef en zakken vol schaamte weg in de aarde.
Ik ben door niets meer gescheiden van de wereld.

Zevenendertig

Ik ben moe. Niet vergeten te slapen, of te verslaafd geraakt aan de staat van wakker zijn – leven – maar doodsimpel moe, zoals er nog nooit iemand moe is geweest. Mijn spieren zijn in staat van verzet en produceren een zeurend gevoel in mijn rug, mijn benen, mijn armen. Er hangt een ongemakkelijke waas over het bestaan.
Alles lijkt tot stilstand te komen. Ik dwing mijn oogleden omhoog te gaan, de dag aan me te tonen, maar ze willen niet meer. Tussen de dia’s in de projector zit steeds meer zwart.
Het bureau, het flikkerende beeldscherm, de twee stuks fruit naast mijn toetsenbord, het notitieblok met de onleesbare aantekeningen die ik nooit meer zal bekijken, alles verdwijnt onder een doffe aanslag. De glans wordt van de dag gepoetst.
Mijn hoofd valt voorover op het toetsenbord, omdat de arm waarop hij leunde verslapte en zich overgaf. Op het beeldscherm verschijnt een lange rij onsamenhangende tekens, die pagina aan pagina rijgt. Ik vrij me op tegen de dood, hoor het leven als een eindtune uitfaden op de achtergrond.

Zesendertig

De grond beweegt onder mijn schoenzolen. Ik trek de kleurige sjaal strijdlustig over mijn oren en probeer rechtop te blijven staan. De kou raspt mijn longen. Aan de heldere nachthemel spelen sterren hun vaste positiespel. Voorbij de zwevende hemellichamen en zestienbaans snelwegen aan ruimtepuin ligt de oneindigheid.
Mijn ademhaling wordt onregelmatiger en dieper, laat eerst mijn buik opbollen onder mijn jas, en dan mijn longen uitzetten als een Romeinse krijger. Ik zuig de manen, dwergplaneten en sterrenstelsels naar binnen, om de oneindigheid tot in de kern te doorgronden, maar voel dat ik alleen maar meer ga wankelen. Alles begint te draaien, tot in de verste verte en daarachter. Mijn voeten raken los van de aarde, ik wil opstijgen en reizen tot de rand van het heelal, om er overheen te kunnen kijken.
Ik zoek vaste ondergrond en ga zitten op één van de ijskoude traptreden voor mijn flat. Mijn broek plakt aan het beton. Ik begin sneller en hoger te ademen, haast gelijktijdig in en uit. Kosmische stofdeeltjes dansen door mijn longen. Ik voel nauwelijks nog onderscheid tussen hemel en aarde, tussen mij en de rest van het universum.
Het moet stoppen, weet ik, maar hoe stop je een meteoriet op ramkoers, zonder alles op te blazen? Het heelal fuseert met de oneindigheid van de dood, die zich in me verborgen houdt. Wanneer ik omhoog kijk, zie ik alleen nog mijn eigen sterfelijkheid lonken.

Vijfendertig

We staan sinds een half uur stil voor station Ede-Wageningen, terwijl de kou onophoudelijk uiteenspat tegen de beslagen ruiten van de dubbeldekker.
Aan de overzijde van het gangpad maakt een opgebolde vleeskuip onbegrijpelijke grappen in een bonte potpourri van accenten, alsof hij de reizende mascotte is van een streektaalinstituut. Hij grinnikt zelfvoldaan en grijpt een rol mentosjes, die verpakt zit in een plastic boterhamzakje, zoals mijn moeder dat altijd in mijn tas stopte wanneer ik op schoolreis ging.
Om zijn pezige duim zit een witte pleister, alsof hij bij handvaardigheid naast de spijker heeft getikt. Zijn buik wordt als touwtjes om een rollade bijeengebonden door een strakke vaalzwarte trui. Zijn bril wekt heimwee op naar andere tijden, op zijn hoofd jankt een depressief vosje. Hij maakt met zijn handen een vogeltje op zijn buik en murmelt onophoudelijk voor zich uit, zonder dat zijn woorden een doel vinden.
Een gehandicapte jongen in een rode fleecetrui hijgt tussen de spleten van zijn tanden door – hij kan zijn mond niet meer sluiten – en vraagt aan alle medepassagiers of ze zin hebben in koffie. Een vrolijk sliertje speeksel gaat op een avontuurlijke tocht langs zijn kartonnen beker. Niemand wil zijn koffie.
Een oudgeworden hippie verschuilt zijn gezicht, met het reliëf van een maanlandschap, onder lange vettige jarenzeventigharen en tuurt strak naar buiten – voor hem op tafel ligt een zwarte cowboyhoed met een geknoopte veter langs de rand. Het meisje naast de dikzak nipt aan haar thee, wurmt zich in de naden van haar blauwgevoerde stoel en probeert onzichtbaar te worden. Twee Brabantse jongens heffen een steeds heftiger wordende klaagzang aan die als roet tegen de ramen slaat. Een Limburgse vrouwenlach rolt als een fanfare door de coupé.
Ik word op mijn schouder getikt en kijk tussen twee mossige tanden door.
“Wil jij koffie?”

Vierendertig

De trein schokt over de glinsterende rails door de Gelderse permafrost, langs sputterende auto’s met vastgebonden rookpluimpjes en voorbij glooiingen met trotse landhuizen die als winterkoningen boven het land uitstijgen.
Aan de horizon draagt de blauwe lucht een witte sluier, die ongemerkt overloopt in het bepoederde landschap. Eeuwenoude solitaire boerderijen staan zelfverzekerd te roken in de diepgevroren morgenzon.
Zo wil ik de eenzaamheid kunnen liefhebben.
Op een voorbijrazende begraafplaats bevriest het verdriet. Een traan wordt als een kostbaar sieraad bij één van de graven gelegd. Ik wend me af omdat ik het al ken.
We rijden Arnhem binnen.
De perronkappen van het nieuwe station steken als elegante ijsscculpturen omhoog uit de besneeuwde stad.
Park Sonsbeek ontbloot haar spierwitte lenden naar de hemel.

Drieëndertig

De Burgemeester wrijft het bevroren snot onder zijn neus vandaan. Ik probeer hem te passeren, maar hij fulmineert verder over de afwezigheid van God in de wereld en hoe ‘het systeem’ ons mangelt. Hij stuurt gifwolkjes weg op oorlogspad door de poolnacht. Een nieuw stroompje snot vult het stuwmeer op zijn bovenlip.
Eigenlijk heet hij Tommer, als de overtreffende trap van Tom, maar vanwege zijn statige voorkomen met lange zwarte stoffen jas en dito hoed kent vrijwel iedereen hem alleen nog als De Burgemeester. Vroeger is Tommer een blauwe maandag leraar Nederlands aan het Erasmus College geweest. Maar meer dan van sterke werkwoorden hield hij van sterke drank, en zo bevrijdde hij zichzelf van de knellende regels van de taal.
Nu knellen alleen zijn gedachten nog, en dus mag hij logeren in de kliniek aan de Westerstraat, drie straten verder dan mijn eigen huis. Als het zomert over het asfalt, dan zit hij daar vaak op de stoeptegels loom naar het voorbijrazende verkeer te kijken, met een gezicht als een half uitgevouwen harmonica. In de winter zweeft hij door de buurt, en klampt willekeurig mensen aan, alsof hij door de invallende duisternis wordt bezeten.
“Weet je wel dat eenzaamheid in-he-rént is aan liefde, en dat daar dus geen ontsnappen aan mogelijk is?”, blaast hij in mijn gezicht, terwijl hij vervaarlijk met zijn armen zwaait.
Ik zeg dat ik dat weet, maar dat ik ook een bus te halen heb als God het wil, en been hem stevig voorbij.
“God is dood!”, hoor ik hem teleurgesteld, maar strijdlustig naroepen.
Plausibel. Maar Tommer is levend verdronken, denk ik.

Tweeëndertig

Tegenover Myrthe zit een mollige Poolse vrouw een peukje te draaien. Ze likt met haar dikke vlezige tong aan het vloeitje en stopt het pakje shag weer achter haar koningsblauwe béhá, waardoor haar linkerborst groter lijkt dan haar rechter. Ze zuigt de toxische damp diep haar longen in, en maakt van haar neus twee rookkanaaltjes. Ze plooit een stuk vlees en krabt onder haar slipje.
Myrthe slaat haar dunne, bijna mannelijk knokige benen over elkaar en schuift ongemakkelijk heen en weer over de houten kruk, waarvan ze al eens eerder een splinter in haar bovenbeen had. Roken is zeer ongezond, en op de werkvloer bovendien niet eens toegestaan, denkt ze. Het is veel beter om even een appel te eten tegen de verveling, zoals ze zelf dadelijk zal doen.
Haar knellende béhábandje maakt ze opnieuw vast. Ze had niet deze witte aan moeten trekken, die een beetje gekrompen is, en bovendien nog verkleurd ook, weet ze – maar dat zul je bij het licht van de stoffige bedlamp, met zijn muffige jarenzestigruches, waarschijnlijk toch niet zien.
Bovendien komt meneer Garderen vanmiddag nog, en die vindt deze juist zo mooi, dat heeft hij toch al eens nadrukkelijk gezegd, dat deze haar goed staat.
“Je lijkt wel een lichtgevende engel in een sneeuwlandschap”, zei hij toen met een vleug jenever, waarna hij haar met haar ranke meisjesvingers door zijn plakkerige rughaar liet kroelen.
Ze wrijft de Jonagold op aan haar vergeelde slip.
De Poolse vrouw dreigt als de ongeoefende assistente van een illusionist te verdwijnen in het rookgordijn. Ze zet de deur op een kier, en laat de rook wegdrijven door de ijzige buitenlucht.
Myrthe kijkt haar hoofdschuddend aan. Dat is niet goed, schiet het door haar hoofd, dat is vragen om problemen. “Zo vat je kou!”, wil ze roepen, maar dat zal ze toch niet verstaan, en dan zal ze het wel weer uitentreuren moeten uitleggen.
Er tikt iemand tegen het raam. Myrthe neemt onverstoorbaar een eerste hap van de appel.

Eenendertig

Januari schuurt haar koude rug tegen de buik van februari. Ik adem de winter langs het kanaal in, en voel hoe er zich bij elke ademgang een flinterdun laagje ijs op mijn longen vormt.
Ik denk aan de tijd dat ik bij de Albert Heijn werkte, en ik de ovenpizza’s en deelblokjes spinazie a la crème uit de koelcel in het magazijn moest halen – aan hoe fijn ik het vond om daar minutenlang in het donker te blijven staan, met de zware deur gesloten, in die kleine bevroren wereld die alleen aan mij toebehoorde.
Maar deze onvrijwillige kou, die een schild om de dag heeft gelegd, moet ik delen.
In de bijkans arctische wind die door mijn kleren steekt, probeer ik de naderende lente al te voelen, maar die is nog ver van me verwijderd.
Net zoals de nieuwjaarsnacht, en alles wat ik daarin aan mezelf had beloofd, ver van me verwijderd is. Ik heb niets losgelaten, maar enkel weer meer vormen van missen ontdekt.
De vorst kruipt vanaf de kade het water op, en maakt kleine gebroken spiegeltjes tegen de randen. Over een paar dagen zullen hier kinderen over het zwarte water naar de overkant rennen en onvermoeibaar zijn.
Ik hoest het laagje ijs weer los.

Dertig

De brandende vloek van textiel hebben we van ons afgeworpen. Het verlangen wordt door duizenden kleine koperdraadjes van lijf naar lijf geleid.
Mijn vingers maken patronen op zijn borst, die als sculptuur van parelmoer in het zwakke kunstlicht glanst, en glijden richting zijn keel. Ik vouw mijn hand er omheen en steek zijn kaaklijn over, die als een gevaarlijke rotswand omhoog steekt, drijf plagend over zijn lippen, die zich voorzichtig van elkaar losmaken.
We ademen hetzelfde patroon, alsof er geen eigen wil bestaat, hebben onze hartslag hetzelfde ritme geleerd. De moleculen in onze huid proberen zich aan elkaar te hechten.
We hebben ons verlost van tijd, dat voel ik aan alles. Misschien dat de dood niet eens meer bestaat voor ons. Ik speel langs de contouren van zijn lichaam. Al zijn hoeken en rondingen zijn precies zoals ik ze ooit heb geleerd van de tekeningen in de biologieboeken, in de lessen van juffrouw Roosma, en waar ik almaar naar bleef kijken.
Hij heeft zijn ogen gesloten en vertrouwt op de oneindigheid van dit leven, en op mij.
Ik wil de mijne sluiten.

Negenentwintig

In mijn kop woedt een woordenstorm. Alsof er veertig voetbaltrainers hun pupillen vanaf de zijlijn doorlopend met oplopend volume staan toe te schreeuwen, zo schieten de twijfels en bevelen onophoudelijk door de achterpaden en haarspeldbochten van mijn hersenen.
Amsterdam? Waarom niet Groningen, of Leeuwarden, of Dokkum. Ik ben duizelig. Je moet naar Dokkum, Kris! In Dokkum zou je nooit iemand achterlaten. Daar is niemand om achter te laten. Mijn hartslag is goed. Waarom kijkt dat mens toch zo?
Onder elke gedachte schuilt een nieuwe gedachte, als een Matroesjka die maar niet kleiner wil worden. Alsof ik keer op keer gewoon hetzelfde poppetje tevoorschijn tover.
Ik neem een hap van het pistoletje met beenham, dat ik uit één van de treurbakken van het La Place-buffet heb getrokken. Ik leg het broodje terug op het bord, dat weer op een dienblad staat, dat weer op een tafeltje staat waar er niemand tegenover me zit. Op een grote banier staat dat La Place er aan werkt om duurzaam en biologisch te worden.
Zolang je ergens aan blijft werken hoef je het in ieder geval nog niet te zijn, denk ik.
Messen graveren valse melodieën in de borden, er wordt gekucht, geslepen, met afwas gestapeld, met stoelen geschoven, krassende stemmen vermengen zich boven de tafels vol versgeachte etenswaren in het opeengepakte restaurant. Overal zijn mensen. De espressomachine hijgt agressief, alsof er iemand lucht uit het achterste van zijn keel blijft stoten.
Zet dat ding uit!
De geluidenstroom in het restaurant jaagt als mitrailleurvuur door mijn vezels en drijft mijn gedachten verder op, tot ze op volle snelheid als Goddeeltjes tegen elkaar botsen en uiteindelijk de wereld zullen splijten. Uit de botsingen ontstaat nog maar één klank, die verdomd veel wegheeft van een jongensnaam, maar in vredesnaam – wélke? Niet aan denken, gewoon níet aan denken. Ik word steeds duizeliger. Je denkt er weer aan!
En waarom is iedereen hier godverdomme zo oud?

Achtentwintig

Lukas was zeventien en gedestilleerd uit het zompige Twentse veen, hoewel dat land door zijn voorvaderen al lang en breed ontgonnen was. Hij had korte blonde haren op een guitige bleke kop, die probeerde te ontsnappen aan generaties van door weer en wind afgekloven landarbeiderskoppen. Hij had niet de ruw gesleten werkhanden van zijn vader, waar de arbeid onder de nagels was vastgeroest, maar zachte jongenshanden. Zijn armen waren bedekt met uit de toon vallende dikke zwarte haren, waarvan er ook een paar boven het knoopje van zijn blouse uit sprongen richting zomer.
Zijn vader, waarvan ik net de eerste handdruk had verloren, had een onverstaanbare manier van spreken, die nog het meest aanhoorde als een verzameling bijeengeraapte klanken zonder eenduidig doel. Eerst dacht ik dat hij dronken was – later bleek het een accent. Nog veel later kon ik het verstaan.
Ze hadden me in Meppel opgepikt van de trein en daar zaten we gedrieën in een auto, op weg naar een camping in de kop van Overijssel. Omdat ik kamperen zelf altijd had beschouwd als mensonwaardig, moest mijn liefde voor Lukas wel groot zijn, dacht ik.
Toen we goed en wel waren opgetrokken, maakte zijn vader binnensmonds, als een motor die niet wilde starten in de Twentse vrieskou, een reeks brommende geluiden, die ik interpreteerde als een vraag. Ik verstond de vraag niet, maar ‘ja’ leek me het beste antwoord.
En terwijl ik me niet bewust was van het exácte antwoord dat ik gegeven had, draaide Lukas zich om. In zijn ogen spiegelden de vijf daaropvolgende jaren als dunne laagjes fluweel.

Zevenentwintig

Ik probeer de onrust te verdrijven, die door mijn bloedbaan jaagt en mijn gedachten tot een kluwen heeft samengeperst. Opnieuw.
De eerste keer zat ik op de oprit van mijn ouders, met mijn benen voor me uit gestrekt en mijn rug strak gelijnd tegen de deurpost. Langs mijn arm streek een zwarte kat, met een witte buik, dat weet ik nog. Ik aaide het beest instinctief.
Het was maart, maar of het koud was ben ik vergeten. Een jas droeg ik niet.
Mijn vader liep binnen zenuwachtig rondjes door de woonkamer, mijn moeder zei dingen tegen me die ik niet kon verstaan, omdat ze verbrandden in mijn dampkring. Vriendje Lukas was onderweg met de auto.
Een half uur zat ik daar, of een uur, of vijf minuten. Tot mijn wereld drong steeds minder van de realiteit door. Ademen deed ik onregelmatig, watten vulden mijn hoofd, mijn hart liep een marathon en mijn waarneming gaf testbeeld. Echt goed voelde ik me niet.
Ik dacht dat ik daar dood zou gaan, als eenentwintigjarige, op de gebakken klinkers van mijn ouders, in de vooravond van een Almelose buitenwijk. Zonder jas.
En ik vond dat doodgaan vooral ongelooflijk lang duurde.

Zesentwintig

Hemelsbreed woon ik honderd meter van mijn middelbare school. Ik heb het ver geschopt.
Elke ochtend als ik de slaap uit mijn ogen fiets, zie ik de groepjes scholieren elkaar aan de andere kant van de weg achtervolgen naar de eerste les. Ze hebben chronisch haast, omdat de gedachte aan de kamer van de conciërge blijkbaar nog altijd angst inboezemt.
Dadelijk zal de eerste zoemer gaan en zullen ze zich met tegenzin naar de lokalen slepen voor een uurlang gevecht met de leraar Nederlands, die altijd een beetje gek ruikt.
De meeste jongens fietsen naast andere jongens, zoals de meeste meisjes fietsen naast andere meisjes. Meestal lijken de jongens en de meisjes in een groepje op elkaar. Hebben ze dezelfde lange haren, of dezelfde hoog opgetrokken rugtas. Op sommige rugtassen staan met zwarte stift nog steeds bandnamen gekladderd.
Af en toe rijdt er een jongen of meisje alleen, zoals een wielrenner die uit de kopgroep is gelost tijdens een zware bergetappe en verlangt naar het einde van de dag. Dan wil ik ‘hoi’ zeggen, want ik fiets ook alleen.
Maar dat doe ik nooit.

Vijfentwintig

De lucht boven Roombeek ademt rust. Aan de hemel kleurt niets, behalve de speelse nieuwgebouwde huizen van de Lonnekerspoorlaan, die gretig en vol zelfvertrouwen vanuit de grond naar boven proberen te reiken, als symbolen van een hervonden Enschede.
Zoals de stad zich telkens heeft moeten hervinden.
Dwars door het zware geronk van een bus die over de busbaan raast, hoor ik het krijsende vuurwerk de strakblauwe hemel aan stukken scheuren, de ongeleide paniek in de portieken dodelijk verstommen in de neergeslagen mist. En dwars door het vuurwerk klinkt het stompen door van de machines in de spinnerij van de Bamshoeve. De razernij van de textiel vulde hier decennia de nu verwoeste hallen, waardoorheen mijn moeder, als jong meisje met lang krullend haar, jarenlang haar dagelijkse gang naar het kantoor van de fabriek maakte.
De bus slaat de hoek om.
De restanten van het textielverleden herbergen nu musea en loftwoningen. IJdele nieuwe bouwwerken hebben de gedachte aan de vroegere volksbuurt verdreven. De verstikkende deken van de dood is van de straten getrokken.
Naast het monument, dat de herinnering aan de vuurwerkramp moet behoeden voor sleet, spelen kinderen lustig in het gras.

Vierentwintig

Ik ben neergestreken op een houten kubus in de tochthal van Den Haag Centraal. Links zet het logge Babylon het stationsgebouw in de schaduw, rechts doemen de ministeries op, waar de aktetassen uit de draaideuren stromen, en voor me trachten stootblokken alle treinen uit de Noordzee te weren.
Ik beeld me in hoe een trein in de zomer – fleurige strandmatjes wapperend uit de ramen – dwars door het blok, de kiosk, de stationspui en over het Malieveld koers zou zetten richting het Scheveningse strand, om daar met zijn kop door het zandkasteel van twee verbaasde blakende jongens te stormen.
Hoe scherper de spits wordt geslepen, hoe soepeler het mechaniek van het station begint te draaien. Uit de ogenschijnlijke chaos van door elkaar kruisende snelwandelaars ontstaat als vanzelf een vorm van orde. Alleen zij die zich op ratio proberen te oriënteren, en verdwaasd zoeken naar de juiste trein – Amsterdam, Lelystad, Groningen, waar is Leeuwarden? – botsen tegen medereizigers op. Wie op gevoel van en naar zijn trein snelt snijdt probleemloos door de massa.
Het regelmatige ritme van de forens wordt begeleid door een Orwelliaans aandoend gepiep van in- en uitchecken, alsof er op elk perron een cassière routinematig alle reizigers onderwerpt aan haar scanapparaat.
“Wilt u het bonnetje mee?”
Ik sta op en zet koers richting spoor 5, terwijl ik me ongemerkt aanpas aan de snelheid van de mensen om me heen.
Ik toon mijn chipkaart aan het kassameisje.

Drieëntwintig

Het centrum van Almelo is voor de rest van de nacht aan zijn lot overgelaten. In de Grotestraat begeeft zich niemand nog, behalve ik. Het straatmeubilair staat naar elkaar te wenken. In sommige etalages is de uitgestalde koopwaar uitgelicht, in de hoop dat een toevallige passant er door verleid zal raken om eerdaags terug te keren als de zaak weer geopend is, en de pinautomaten hun bonnetjes weer als consumptieconfetti door de lucht spugen.
De producten zijn als kostbare relikwieën tentoongesteld. Er staan schoenen op ereschavotten, kleren hangen om perfect gemodelleerde lichamen en telefoons liggen als zeldzame artefacten in houten kistjes te pronken.
Boven sommige winkels wonen mensen, weet ik, maar licht brandt er nergens.
Ik sta voor de etalage van een elektronicawinkel, waar felle lampen het minimalistische design laten glanzen en er meer lucht zichtbaar is dan daadwerkelijke handelswaren.
In de weerspiegeling van de winkelruit zie ik mezelf staan als achtjarige, verlekkerd kijkend naar de kleurige snoepwereld die zich voor me uitrolde. Waar nu lifestyles worden gesleten, glommen dertig jaar lang vulkanen van zuurtjes en sterrenstelsels van kleurige zoete bollen in kinderogen.
Door het volgepakte paradijs, waar het snoepgoed zonder enige vorm van orde tot aan het plafond stond opgestapeld, schuifelde als vleesgeworden Willie Wonka de eigenaresse, een oude vrouw waarvan ik altijd hoopte dat ze mijn oma zou willen worden. Ze rook naar kaneelpoeder en zoetig cellofaan.
Toen ze overleed brokkelde het paradijs af. Ik vervloekte degene die ongeoorloofd van één van de geglazuurde appels had gesnoept.
Er kwamen nieuwe winkels. Soms maar voor een jaar. Als de stickers met ‘opheffingsuitverkoop’ voor de ramen verschenen voelde ik telkens de zoete walmende geuren weer mijn neus binnendringen.
In mijn broekzak zoek ik naar een kwartje.

Tweeëntwintig

Olmer zet zijn koffiemok neer en drukt me tegen zich aan. Ik heb het koud. Met zijn armen wrijft hij over mijn rug. We leggen onze hoofden op elkaars schouder, als twee jonge vogeltjes die zich oprollen in hun nest.
Het is hier altijd koud. De kachel brandt, maar moet via de kieren van het oude huis aan de Nieuweburen heel Leeuwarden verwarmen. De kamer waar we zijn bestaat uit bij elkaar geraapte meubelstukken, zoals het een studentenhuis betaamt. Eclectisch, zou je het kunnen noemen. Op de lambrisering is een vieze gele kleur aangebracht, alsof er iemand met mosterd heeft gesmeerd. Drie grote ramen halen de straat naar binnen. Twee rijstroken aan weerszijden, met in het midden geparkeerde auto’s en schuldbewuste bomen.
Ik ruik in zijn haren.
De winkelruimte op de begane grond staat leeg. De voordeur van Olmer zit in een smal steegje tussen de winkel en het clowneske hoge pand van ijssalon La Venezia. De salon lijkt zijn nek uit te steken boven de andere panden, om zo te kunnen lonken naar potentiële ijscokopers. Kinderstemmen stijgen langs de gevel op richting hemel.
Maar niet in dit jaargetijde.
Ik leun tegen de brug over de gracht op de Voorstreek. Vanuit hier kan ik het huis aan de Nieuweburen zien, waar ik zonet voor de eerste keer in anderhalf jaar weer voor heb gestaan. Bij de ijssalon was het nog steeds stil.
Voor de drie grote ramen van de enige kamer die ik in Leeuwarden van binnen ken zijn houten panelen gespijkerd. Het huis is uitgebrand. De herinneringen zijn er machteloos van de muren geschroeid.

Eenentwintig

Ik sta al een kwartier op mijn vrouwelijke gezelschap-in-aantocht te wachten voor de deur van café Hofman. Twee jongens en een meisje komen naar buiten en gooien met veel lawaai woorden tegen de wind. Rond de twintig zijn ze, schat ik. Utrechtse studenten. Ze grijpen naar sigaretten. Een van de jongens draagt een lange zwarte jas en een rode corduroy broek. Hij vist uit zijn pakje Marlboro een aansteker en schermt het vuur af met zijn hand. Hij gaat rond. Om de beurt gloeien ze.
Op het Janskerkhof hebben de marktkramen alweer plaatsgemaakt voor auto’s. De lokroep van aangeprezen koopwaar is verstomd. De laatste bloemen zijn misschien voor een habbekrats verkocht.
Boven café Hemingway aan de overkant waarschuwt de verlichte Dom als een imposante vuurtoren voor het naderen van de stad. De Domtoren voelt als een vriend van vroeger. We weten nauwelijks nog iets van elkaar, maar hebben wel een verleden om oneindig te herkauwen.
De peuken worden uitgetrapt op de grond en de deur naar Hofman gaat weer open. Er dringt vervormde muziek door tot de straat. De jongen met de rode broek tikt het meisje bij het naar binnen gaan nonchalant tegen haar kont.
Twintig minuten zijn verstreken. Ik heb het idee dat er vanachter de ramen van de cafés aan het plein smalend naar me wordt gekeken. Alsof ik in de steek gelaten ben door een date en hulpeloos zal wegrotten in de Utrechtse aarde. Mijn telefoon licht op.
“Ik kom er NU aan”

Twintig

De spijlen van mijn Frans balkon maken van Almelo een gevangenis. Ik kijk tussen de tralies door. De wind blaast golfjes door het Almelo – Nordhornkanaal. Ik stel me voor hoe een eend er op een klein bordje tegenop zou surfen.
De flesjes bier van gisteravond haal ik van de bank en zet ik bij de glascollectie “januari”, die steeds veelkleuriger wordt. Van de volgende gang naar de glasbak schiet ik een korte film. Ik verwacht veel lof van de critici.
De zee aan nooit gelezen reclamefolders op de eettafel – zwart fineer – is overstroomd richting vloer. Tussen de folders schuilen rekeningen, die ik nooit kan vinden. Bij de trap staat al drie weken een gescheurde kartonnen doos, met daarin een opgevouwen kerstboom. In de keuken oefent de afwas een circusact.
Inmiddels regent het. Ik schop een leeggelopen volleybal aan de kant, ga op mijn knieën zitten en druk mijn neus en handen tegen het raam om de druppels van dichtbij te bekijken. De meeste druppels blijven op hun plek om in kalmte te verdampen, of glijden heel erg langzaam naar beneden. Soms valt er één in volle snelheid langs het glas. Dan doe ik een wens.
Mijn adem maakt ovaaltjes op de ruit.
Aan de overkant van de straat gluurt een meisje van een jaar of tien uit het zolderraam. In haar vensterbank staan prinsesjes met roze jurkjes. Door de spijlen slaat ze het tafereel gade. Mijn flat lijkt een gevangenis, zal ze denken. We kijken elkaar aan. In de damp van mijn adem schrijf ik in spiegelbeeld ‘help’.

Negentien

Ger Lataster’s onbeholpen springende haren maken een tekening tegen de witte muren van de villa. De kunst stroomt er uit alle voegen. Zijn neus is groot van ouderdom, zijn lippen zijn van kleur verschoten. Door het gescheurde canvas van zijn gezicht prikken kleine ogen.
Zoals Ramses Shaffy in ‘Ramses’ al zingend de eenzaamheid probeert te bedwingen, veegt Ger met trillende hand de grijze verf in een cirkelbeweging over een leeg doek. Hij probeert zijn vrouw in rondingen te vangen.
De hele film spoelt terug. Hoe zij de wereld vastlegde in monochrome beelden. Hoe ze samen buiten de lijnen van de avond dansten, toen ze nog wars waren van eindigheid. Hoe ze elkaar voortdurend bestreden met venijnige zinnen. Hoe het verleden steeds dieper in haar wegdook.
Hoe elk nieuw schilderij zonder haar kritiek zal blijven, nu ze is bevrijd van het verzengende ouder worden.
Zijn arm maakt zich los van het doek en valt omlaag. Er openen nieuwe scheuren in zijn gelaat. “Daar kan geen mens tegenop schilderen”, fluistert hij.

(De documentaire ‘Niet zonder jou’ gaat over het kunstenaarsechtpaar Ger Lataster en Hermine van Hall, en hun afscheid van het leven en elkaar. Online te bekijken.)

Achttien

In de linker binnenzak van mijn jas zit altijd een moleskine. Een notitieblok met een aaibaarheidsfactor. Zorgvuldig ingebonden blaadjes met afgeronde hoeken en een kartonkleurig kaftje. Ik leg het boekje op de tafel van de kleine koffiebar aan de Amstelveenseweg. Buiten slaat de grijze lucht neer op Oud-Zuid. Ook rijkdom wordt dof.
Het publiek in de bar danst op een dunne lijn tussen hip en post-yup. Ze drinken kapputsjino of lattu makkujáto en hebben allemaal een goede kapper. Ik drink rooibosthee en mijn haar is verwaaid.
Met een fineliner teken ik een aantal punten en lijnen op één van de blaadjes en schrijf er ‘de geografie van missen’ boven. Almelo verbind ik met Groningen, Groningen met Leeuwarden, Leeuwarden met Utrecht, enzovoort. Des te meer lijnen ik trek, des te meer ik achterlaat. In steeds meer steden ontwijk ik mijn sporen.
Aan de bar gaat het verkeer op de Amstelveenseweg voorbij. Scooters met mannen, taxi’s met haast en studenten op oude fietsen. Ik probeer niet te zoeken naar iets bekends. Op het blaadje zet ik een nieuwe stip. Amsterdam.

Zeventien

Voor het eerst deze winter kleeft er kou aan de morgenlucht. Mijn fiets is wit uitgeslagen. Met mijn handschoen veeg ik het schilderij van ijskristallen uiteen, dat zich op mijn zadel heeft gevormd. De zon heeft zich gehuld in een strakblauwe jurk. Ik stap op en bedenk dat de winter gewoon een zomer is, maar dan kouder.
De douche was vanochtend geruststellend warm. Ik liet de waterstralen mijn spieren tot leven kussen, die beurs voelden als na een bokswedstrijd. Ik werd, zoals de meeste dagen, vermoeider wakker dan ik de avond tevoren was gaan slapen. De nacht had met me gespeeld.
Toen ik de wekkerradio uit had willen slaan, had ik twee jongensnamen door mijn hoofd horen galmen. We waren de hele nacht in een absurdistische driehoeksverhouding samen geweest, maar ik was de enige die het zich zou kunnen herinneren. De angst voor het ontwaken schopte ongeoorloofd hard tegen mijn borst.
Nu rij ik door een stad die de dag niet wil omarmen. Mensen bedekken hun ochtendgrimassen met sjaals en mutsen.
Ik adem de winter van Almelo in. De hele stad is pepermunt. Ik groet het silhouet van een bekende in het voorbijgaan. Hoe harder ik fiets, hoe meer ik vergeet.

Zestien

Staarman staat op zijn plek tussen het raam en de zware, altijd gesloten gordijnen. Hij hecht zich aan het donker, met slechts het schijnsel van de straatlantaarn over zijn gelaat. Door zijn huid zoeken stekelige grijze haren ongecontroleerd een weg naar de verdwenen zon. Zijn witte t-shirt draagt de sporen van een bedorven leven.
Hij staat daar vaker. Ik zie hem nooit als een artiest uit de coulissen tevoorschijn komen – hij is er simpelweg, als een logisch gegeven van de avond. Dan kijkt hij onverstoorbaar voor zich uit. Een uur, soms twee. Bewegen doet hij niet. Daarom, en daarom alleen, is Staarman zijn naam.
Staarman woont schuin tegenover mij. Ik in een appartement op de eerste verdieping, hij in een vooroorlogs arbeidershuisje – zo één dat je zou willen omhelzen. Gesproken heb ik hem nooit – buiten de muren van zijn schuilplaats begeeft hij zich hij zelden.
Soms brengt een vrouw hem boodschappen. Veel blikjes bier en een brood. Dan gaat de voordeur verder open dan de gebruikelijke kier. Op zijn sloffen staat Staarman dan in de gang, met een veel te grote spijkerbroek en een veel te klein shirt. Voorbij zijn pafferige lijf reiken stapels oude kranten naar het daglicht. Een dikke kat met lange haren krult om zijn been.
Ik bedenk hoe hij dadelijk in een kladblok schrijft over de jongen die tegenover hem woont, en altijd voor zijn raam staat.
Dan is hij weg.

Vijftien

De leegstaande loods van de voormalige boekbinderij Janszoon is met spijkers, nagels en restmateriaal verheven tot broedplaats voor de hogere kunst. In één van de ateliers is deze zondagmiddag een feestje zonder reden. Er staan eenentwintig kunstenaars, kunstminnaars en verstekelingen verdekt opgesteld met koffie en rode wijn. Ze kruimelen rolletjes met slagroom op de vloer. De meeste gasten zouden best een gesprek willen voeren, maar lijken net als ik niet te weten hoe. We kijken elkaar aan en zwijgen de dag vooruit. Schuchter verkondigde zinnen doen een poging om de stiltes bij elkaar te binden.
Ik zit op een kruk aan een sloophouten bar. Drie mensen met wie ik probeerde te praten hebben zich inmiddels van mij afgewend. Ik bestudeer hun ruggen en doe alsof ik een bericht krijg op mijn telefoon.
Ik besluit mijn flesje bier maar mee te nemen op excursie door het pand.
Het is rommelig. In de gangen liggen materialen te wachten tot ze kunst mogen worden. Uit gaten in het systeemplafond grijpen kabels naar mijn hoofd. Op de wanden die de ateliers van elkaar scheiden hangen werken van de kunstenaars.
Ik kijk er lang naar, maar denk niets.
Achter geïmproviseerde deuren en kozijnen meer ateliers. Op de weecee komt de zeep uit een olievat dat is omgebouwd tot pompje. Ergens staat een koe van staaldraad. Her en der zijn met punaises aankondigingen voor exposities en feestjes vastgeprikt, die in de regel al anderhalf jaar geleden hebben plaatsgevonden.
De vooruitgang hapert.
Na een minuut of twintig maak ik mijn rentree op het feestje. Ik zie dat een grafisch vormgever die ik vaag ken zich bij het gezelschap heeft gevoegd. Hij staat alleen. Ik haal een hap verse lucht binnen en loop op hem af. Hij ziet me naderen en pakt uit zijn broekzak zijn telefoon.
Ik buig af richting bar.

Veertien

Sophie woont in een meisjesstudiootje op de twaalfde verdieping van een studentenopvangcentrum. Een keukenblok-met-vaat, een bed-met-kussens, een tafel-met-stoelen, een kleedje-met-patroon, een boekenkast-met-hokjes en een stoel-met-deken die ik altijd tot de mijne maak. De boekenkast heeft ze als een bibliothecaresse gesorteerd op thema. De stad, filosofie, kunst, literatuur, geleend. Uit de boeken steken kleurige markers, die moeten impliceren dat ze ze gelezen heeft. Verspreid door haar kamer hangen kleine handgeschreven briefjes met boodschappen aan haarzelf.
Door de kamerbrede ramen zie ik de wanhoop van de stad, die zich als een hoer opdringt aan het landschap. Niet de nauwe steegjes en de gebogen straten van het centrum van Utrecht. De achterkant van de stad is een schaamtevol niemandsland gemaakt van golfplaat, beton en ontzielde ruimte. Daar doorheen bewegen over brede asfaltstroken auto’s in colonne richting kaalgevreten parkeerterreinen van tuincentra en megastores. De voortdurende optocht van remlichten doet me denken aan een rouwstoet.
Ik doe de gordijnen dicht en sluit me op in de droomwereld van Sophie-met-bril. Ze ligt in gestrekte houding aan de andere kant van de kamer, met haar rug op het bed-met-kussens en haar benen op de vloer. Ze laat zich met een soepele beweging naar beneden glijden, en accentueert in haar neerwaartse gang haar borsten. Op haar knieën zit ze op de grond. Ze kijkt omhoog naar me, en veegt de krullende haren uit haar gezicht.
Ik zak weg in de stoel-met-deken en sluit mijn ogen voor de sensualiteit van een vrouw.
Dan doen we het licht uit en gaan naast elkaar op de grond liggen. Door een kier in de gordijnen maken de lampen van voorbijgaande auto’s ver onder ons een speling op het plafond.
Een sterrenhemel van de stad.

Dertien

Naast ons slaapt de Hermitage. Het bewegen van Amsterdam dringt nauwelijks door tot de zolderverdieping aan de Nieuwe Keizersgracht. Het zachte licht vlijt zich voorzichtig om de draagbalken en kruipt in de nok van het gebouw. Alles hier lijkt van hout. Zes mannen en veertien vrouwen componeren in de kunstschemer een collage van vertrouwdheid. We tikken onze borden met bestek, klinken met glazen wijn en praten alsof we elkaar al jaren niet meer hebben gezien.
We hebben elkaar nog nooit gezien.
De hele avond hebben we met elkaar gesproken over ‘tijd’. Minder conceptueel dan gehoopt. Onze eigen tijd stonden we af. Horloges ingenomen, telefoons afgesloten, klokken in de war gebracht. Alleen mijn gedachten lieten hem niet los.
Nu zit ik naast iemand wiens naam ik steeds vergeet. Ze heeft me eerder vanavond gezegd dat ik teveel nadacht – suggereerde dat ik beter een hobby kon zoeken. De masochist in mij leefde op, en dus praten we nu al uren. Omdat we elkaar nooit meer zullen zien, schenken we onze verloren liefdes in elkaars glazen en omarmen de kunst van de eindeloze misère als een gezamenlijke vriend.
Dadelijk zullen we door een troebel Amsterdam naar het station laveren. Ik met haar verlangens in mijn hoofd, zij met de mijne. Daarna zoeken we allebei een trein naar een andere stad.

(# Ik was bij een avond van Brandstof)

Twaalf

De traptreden zuchtten zo hevig onder het gewicht van mijn passen, dat ik me aan ze wilde verontschuldigen. Het toilet was beneden, Olmer wachtte boven op mijn zolderkamer. Ik was verslaafd geraakt aan dit vergeten leven. Toen ik de kamer weer binnenkwam lag hij naakt in bed.
“Scheelt tijd”, zei hij pragmatisch.
Ik trok mijn kleren uit en vouwde me naast hem.
De dekens waren hard en koud. Het vlammen van de gaskachel klonk als het voortdurende blazen van een kat. Het heroïsche gevecht ten spijt stroomde de winterlucht door alle kieren van het verloren studentenhuis over onze lijven.
Hij legde zijn hoofd op mijn borst. Ik liet mijn vingers verdwalen in zijn haren en kuste zijn kruin als een sluipmoordenaar. Daarna deden we een kwartier lang elk accent na dat we kenden.
We waren naakte Amsterdammers in een Groningse winter.
Vier uur later draaide Olmer op zijn zij, om zijn lijf voor een halve nacht te verstoppen in dat van mij. Ik deed mijn best te verdwijnen in het zijne. Ik telde mijn hartslag steeds langzamer, in de hoop dat we zouden opgaan in de oneindigheid van het bestaan.

Elf

Het is zeven over één. De nacht kruipt door een onbewogen Almelo. Ik loop, winterjas geopend, over een verlaten straat en markeer met plukjes as het midden van de rijbaan. Aan weerszijden schuilen statige jarendertigwoningen achter trottoirbanden en smeedijzeren tuinhekken. Binnen hun muren huist de altijd slapende middenklasse.
Waar de stilte van de gestorven stad me in Groningen nog dichter bij haar bracht, vergroot hij hier – bij gebrek aan contrast – slechts het verlangen naar elders.
In deze straten ligt geen troost besloten.
Het enige dat ik opraap zijn immer meer opgetekende verhalen uit de dagen dat ik op deze grond groter en groter werd. De meeste te versleten om nog te kunnen lezen.
Ik gebruik de tijd als schuurpapier.
Voor de deur van mijn flat schiet ik vanuit mijn vingers de gloeiende peuk met een boogje richting het wegdek. En dan waaiert ook de laatste rook uit.

Tien

Er staan zes lege flesjes op de salontafel. In vijf zat bier, in één melancholie.
Door de speakers van mijn laptop zweven de Franse klanken van Barbara de kamer binnen. Ma plus belle histoire d’amour, c’est vous.
Ik ben een gijzelaar van het eeuwige verlangen. Vroeger dacht ik aan later – later dacht ik steeds meer aan vroeger. Ergens in mijn puberteit dienden zich al voorzichtig de eerste tekenen van het kantelpunt aan. Toen ik vijftien was luisterde ik op mijn jongenskamer – waar de hormoondrift van de muren droop – naar “Het dorp” van Wim Sonneveld. Keer op keer, die gedragen stem die de ruimte liet vollopen met zijn wanstaltige oubolligheid. Wim en ik, we huilden om onze verloren jeugd
Het was, in retrospect, wat vroeg.
Nu ik het kantelpunt dichter nader, voel ik steeds meer de grenzen van de tijd. In mijn jongensjaren zag ik de dood als een muur die zich schuilhield voorbij de horizon, maar waar ik ooit eens tegenaan zou rijden. En als ik er maar zo weinig mogelijk over na zou denken – iets dat al snel een onmogelijkheid bleek – zou ik een botsing zelfs nog kunnen vermijden.
Waarom zou mijn tijd immers niet oneindig kunnen uitdijen, zoals het universum dat almaar blijft doen.
Dat veranderde zeven jaar geleden, toen de lucht zich voor het eerst vulde met onrust. Ik kon niet meer ademhalen. Het landschap om me heen verwerd tot een abstractie. Veel meer dan een nauwelijks zichtbare streep in de verte, bleek de dood de achterkant van elke seconde. Ik besefte me dat we niet leven langs een lineaire gradiënt – van donker naar licht en terug – maar dat we het donker voortdurend met al onze macht voor ons uit duwen. Hoe meer de tijd daarmee begon te knellen, hoe verlossender het verleden werd. Want met het continue besef van sterfelijkheid is al dat geweest is het enige dat een vorm van zekerheid biedt.
Totdat we vergeten.
Ik breng de lege flesjes naar de keuken, en zet ze bij de resten van ontbijt en avondeten. Het laatste licht neem ik weg uit de dag. Barbara zwijgt. Door mijn hoofd trilt het lijnenspel van mijn jongenskamer nog na.

Negen

Het moet ongeveer hier geweest zijn. De Ubbo Emmiussingel, ter hoogte van de brug langs het Groninger Museum – dat als een kleurrijke speeldoos de verslagen monotonie van de winteravond tart.
Op één van de bankjes aan de singel zit, onder een rood met zwart geblokte deken, een zwerver. Zijn grijsgesleten baard misschien een jaar of twee oud. Naast hem een plastic tasje van de Albert Heijn met daarin alles wat er van zijn materiële bestaan nog rest. Het leven bijna teruggebracht tot de kale essentie van vergeten en sterven.
Ik probeer me te herinneren.
Ik geloof dat ik te laat was – ik fietste hard. Mijn rug klampte zich met zweetpareltjes vast aan de textuur van mijn shirt. Ik stootte, als een zwoegende stoomlocomotief, een spoor van wolkjes uit in de Groningse nacht.
Olmer stond er al.
Het was de eerste keer dat ik hem zag. We kenden elkaar van internet. Veel wist ik niet: hij woonde in Leeuwarden en speelde piano, dat had hij me laten horen. (Tot mijn angst, omdat het gevaar van jezelf blootgeven is dat je onverhoopt overtuigd kunt raken van je eigen relevantie.)
Hier stonden we. Ik, met mijn benen aan weerskanten van mijn fiets, hijgend de veiligheid van het asfalt aftastend. Olmer op een halve meter voor me. Tussen ons de te overwinnen ruimte.
Ik probeer in de straat te verdwijnen. Als er al iets van die avond is overgebleven, dan is het diep onder de oppervlakte gekropen, of uit de stad gevlucht onder de voetzolen van iedereen die hier al twee jaar haastig over de brug van en naar het station is gelopen.
De zwerver staat op van het bankje. Hij frommelt zijn deken in de tas. Niemand zal klagen dat hij het vod verkreukt. Hij hoest en sjokt richting Hereplein. Zijn rug groet de gestolen hemel.
Ik loop door richting het Zuiderdiep en trek mijn rood met zwart geblokte sjaal nog wat strakker rond mijn nek. Mijn handen warm ik aan mijn eigen adem.

Acht

Het is vijf uur ‘s middags. Ik hang onderuit, weggekropen in de hoek van de hoekbank, en vier de zondag. Mijn haar doet een dansje. Mijn vergeelde t-shirt ruikt nog naar alcohol, sigarettenrook en oud kroegzweet. Ik schaar het onder de voordelen van alleen wonen.
Mijn lijf doet pijn. Vermoedelijk doorligplekken.
Ik reik naar de zak chips, maar kan er net niet bij. Dan maar honger. De fles cola staat dichterbij. Ik draai ‘m binnen een minuut met één hand open. Hij sist lafjes.
Geen prik meer.
Ik moet iets actiefs doen, vind ik. En na een flinke teug gebruikte lucht trek ik me met een kleine kreun omhoog aan de leuning van de bank, om er vervolgens met mijn hoofd op neer te ploffen. Dan kan ik naar buiten kijken.
Niets te zien.
Na een aantal minuten zak ik teleurgesteld terug in de hoek van de bank voor een verdere studie van het reliëf op het plafond. Ik wapper met één sok als witte vlag.

Zeven

De muziek dicteert het licht. Lichamen wringen zich in en uit de bas, en steeds vaker langs elkaar. Ik word van alle kanten bekeken, door meer en meer gezichten die ik niet herken.

Ik krijg een nieuw glas bier aangereikt.

De ondefinieerbare kakofonie van eerder vlakt af tot een grondtoon die aan mijn lijf kleeft. Ik zie steeds meer eenheid in de chaos. Hoewel ik weet dat je hier niet bent, voel ik je overal.

En nog één.

Man of vrouw – iedereen hier draagt het gezicht van mijn verlangen. Ik schuur tegen de vleesgeworden verschijning van mijn gemis. Mijn shirt zuigt aan mijn borst. Mijn voeten plakken aan de vloer. Zolang ik hier blijf, besta je.

Nog één.

Ik ga zitten op de trap die naar de garderobe leidt. Knieën botsen tegen mijn schouder. Ik zoek de zekerheid van de muur. Als ik mijn ogen sluit voel ik de wereld op me drukken. Ik fantaseer je hand door mijn haar. Vannacht wil ik hier slapen, niet meer opstaan.

Water.

Buiten regent het zachtjes. Utrecht glanst in de verdronken nacht. Ik dwaal langs de Oudegracht. Af en toe word ik ingehaald door iemand met meer haast. Maar niemand draagt je masker nog.

Zes

Het landschap is verlaten door het zonlicht. Alleen waar mensen zijn gloeit de hemel. Er is iets geruststellends aan reizen in het donker – waar plaats en tijd minder urgent lijken.
De trein snijdt door de duisternis. In de coupé zitten twaalf mensen. Twaalf manieren om naar de wereld te kijken, maar we delen er geen één met elkaar. Ik sluit me af. Hun bestemmingen ken ik niet. De mijne wel.
Ik reis naar een nacht in Utrecht. De stad waar ik ooit woonde. Het voelt alsof ik op weg ben naar een herbeleving van mijn verleden. Met vrienden van toen, op plekken van toen. De hoofdlijn ken ik al – door en door. Nu zoek ik naar de kantlijn. Zoals je bij een film na de eerste keer kijken zoekt naar de tweede laag. En de derde. In de hoop dat ze er zijn.
Door mijn hoofd schieten herinneringen. Het licht door de ramen aan de Springweg. De weggespoelde nachten in Tivoli. Het fietsen door de stille stad. Uitrusten van de stormende herfstliefde aan het Scheveningse strand. Wakker worden op zondag, met de klokken van de Dom die door je katerverse hoofd bonken.
Het valt niet te recreëren.
“Men zou meer moeten mijmeren”, zei iemand vandaag tegen me. Ik beaamde. Maar nu weet ik het niet meer zo zeker.
De stem van de conducteur klinkt door de coupé.
Utrecht wacht.

Vijf

Ze maken geen geluid. Ze verstoppen zich in de klanken van vreugde, die weerkaatsen door het restaurant. Hun hoofden van elkaar af gedraaid, zoekend naar houvast. Dan kruist plotseling zijn blik de hare. Ze doen hun best het moment te ontkennen. Nog maar eens de wanden bestuderen.
Het laatste kwartier heb ik ze geobserveerd. Een man en vrouw van een jaar of veertig. Hij, spijkerbroek en overhemd. Zij, haar mooiste blouse en ketting. Vijftien minuten lang zonder woorden voor elkaar. Ja, éénmaal, toen ze de kaart bestudeerden.
“Weet je het al?”, zei ze. Hij mompelde iets. Daarna de hoofden weer afgewend.
In elk restaurant zitten ze, elke tafel heeft ze ontmoet. De woordenlozen, de nietpraters, de klaargeleefden. ‘The dining dead’, zoals ze in ‘Eternal sunshine’ worden genoemd.
Het ongeluk druipt van hun gezichten over de lappen biefstuk op de borden. Thuis had het beiden nog een goed idee geleken. Een onuitgesproken vlucht uit het benauwde, misschien. “Tijd nemen voor elkaar”, zal er in een blad hebben gestaan dat zij onlangs las.
Ik wil ze omhelzen. Over hun hoofden aaien. Hun voorhoofden zoenen. Zeggen dat het niet erg is. Dat ze hun eigen geluk moeten zoeken. Dat het niet aan de kinderen ligt.
(Dat laatste is natuurlijk maar ten dele waar)
Ik weet alles van ze.
Ik heb elke rimpel in me opgenomen, elke trek van de mond is in mijn hoofd een streepje van hun barcode geworden. Elke blik heb ik geprobeerd te volgen. Ik zie alles wat zij zien. En meer nog wat ze niet zien.
Dan voel ik dat mijn tafelgenoot me aankijkt.
Zijn lippen bewegen.
“Wat ben je stil”

Vier

Ik neem een slok en laat mijn blik over de rand van het glas door de kroeg glijden. Steeds meer ogen staren ons aan. Soms ongegeneerd, meestal vluchtig, maar altijd voelbaar. Telkens vier naast elkaar. Het gespeeld verlegen meisje aan de bar en de jongen die ze opzichtig wil verleiden, de twee veertigers in de hoek die proberen te vergeten dat ze veertigers zijn, het kortgeknipte meisje dat lijkt op het broertje van de jongen naast haar op de bank en het setje wisselpopjes die elke dag in elkaars spiegel lijken te kijken.
Waarschijnlijk zoeken ze naar antwoorden, die wij ze zouden kunnen geven. We orakelen vanavond gratis, en steeds luider.
Tijdens de eerste ronde schaften we reeds de liefde af – om haar vervolgens weer schaamteloos te omarmen. Na nog een paar glazen brachten we de essentie van het leven terug tot een bevrijdende uitzichtloosheid. Daarop proostten we.
We lossen alles op.
Achter ons maken twee jongens al een uur lang vogelgeluiden ter ondersteuning van onze laatste hypothese. Ik zet mijn glas weer neer.
“Alles is kut”, hoor ik naast me.
Ik knik.
Daarna lachen we.

Drie

Plukken haar worden opgezogen en neergegooid over mijn oren, langs mijn voorhoofd, voor mijn ogen. Januari doet of ze een ander is. Mijn sjaal waait van mijn schouders. Ik grijp hem net op tijd weer vast en werp hem terug rond mijn nek. Zodra ik voorbij de beschutting van de Javatoren fiets, beukt de stormwind in volle hevigheid tegen mijn lijf. Ik probeer de pedalen te bewegen, maar er gebeurt niets. Ik vecht en sta stil. Een moment voel ik me gegijzeld in de tijd. Mijn kop omlaag. Het enige dat ik zie is asfalt. Dit zou elke seconde kunnen zijn, op elke plek. De ontelbare kruispunten van Amsterdam, die ik niet van elkaar kan onderscheiden. De grond voor de ijssalon in Leeuwarden, waarop kinderen hun ijsjes laten smelten in de zon. Iedere straathoek van Groningen. Maar wanneer ik omhoog kijk ben ik nog steeds in Almelo.
Ik laat me overwinnen en stap af.
De tijd laat los.

Twee

De ruimte draait. Ik heb nauwelijks geslapen. Iets wat me sinds het lezen van Murakami’s “Slaap” meer zorgen baart dan tevoren. Al mijn collega’s hebben zich in de slepende vroegte van het nieuwe jaar verzameld in de kantine van het kantoor. Buiten moet het nog licht worden.
Ik knipper éénmaal.
Er was lichte dwang aan te pas gekomen om me aan de ronde te laten beginnen. Bij de eerste was ik aarzelend geweest. Timide, zou men het kunnen noemen. Na de tiende echter, raakte ik in een flow van goede bedoelingen. Honderd nieuwjaarswensen deel ik uit. Ik noem ze de béste wensen. Bij elke handdruk nog iets betere wensen dan bij de vorige. Ik kán dit. Ik sla voorzichtig voor de eerste keer iemand op de schouders. Daarna iets harder. Ik noem de namen van de mensen tegenover me, terwijl ik stevig hun handen vastgrijp. Als teken van zelfvertrouwen. Niet altijd de juiste naam, dat niet. Maar ik doe het.
Ik begin te zweven door de ruimte. Ik dans in mijn ééntje een tango door de mensen, terwijl ik handen en wensen toewerp als rozen naar mijn minnaars. Ik raak nonchalant steeds meer schouders en schuur gewichtloos langs volle tafels. Er zijn geen obstakels meer. Voor even hoop ik dat het nooit zal eindigen.
Maar dan zijn mijn collega’s op.
Ik sta stil. Om me heen kijken mensen verdwaasd om zich heen. Brillen zijn van hoofden geslagen, overhemden uit broeken gerukt, knoopjes losgeschoten. Tafels met zojuist gevulde glazen liggen ondersteboven. Zeven mannelijke collega’s klagen over een zere schouder, vier vrouwelijke collega’s proberen hun coupe weer in bedwang te krijgen.
Ik wrijf de slaap uit mijn ogen.

Eén

Ik heb een uur kunnen wennen aan 2012, voordat ik op mijn fiets stap voor een tocht door de Almelose oudjaarsnacht. De straat langs het Almelo – Nordhornkanaal is verlaten. Links het angstige duister van het buitengebied. Rechts flitsen boven de stad die meestal slaapt. Door één oor dringen de verlate vuurwerkgeluiden van de stad met geweld mijn hoofd binnen. Door het andere fluisteren composities van Erik Satie. Je te veux – ik wil je. De tijd wordt om me heen verwelkomd als een vriend. Met alcohol en vettigheden. Ik wil hem zien als een verlosser. Voor me liggen nog bijna 366 onaangeraakte dagen. Eén kans meer dan ik er in de vorige ronde heb gekregen. Je te veux.
Eenmaal thuis doe ik het licht aan. Misschien hoop ik dat vanuit het donker een gestalte zichtbaar zal worden, mijn naam zal noemen. Maar de stilte is volmaakter dan alles wat hem had kunnen doorbreken. Mijn kamer blijkt een stilleven van 2011 en alles wat zich daarvoor nog heeft bewogen in de tijd. Het verleden, dat ik al fietsend achter me heb proberen te laten, heeft zich niet van mij los kunnen maken. We zetten ons naast elkaar neer op de bank. We spreken, zonder vermoeid te raken, en drinken wijn tot de nieuwjaarsochtend verschijnt.
En dan zoenen we.