Essay Gouden Piramide: Bouwen met flair

In opdracht van het Projectbureau Gouden Piramide schreef ik in 2016 het essay ‘Bouwen met flair’, dat verscheen in het jaarboek van de Gouden Piramide, de Rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap. De volledige tekst is hieronder opgenomen, maar ook te downloaden als PDF of terug te lezen in de publicatie Hart en Ziel, verkrijgbaar via nai010 uitgevers.
_

‘Een architect levert een gebouw nooit gaaf af’, zegt de architect Van Marle in de roman Bloesemtak van F. Bordewijk. ‘Het is gloednieuw, en de nieuwheid, deugd bij een machine, is de fout van een gebouw. Men moet kunnen vooruitzien hoe een gebouw zou zijn als het klimaat er de laatste hand aan gelegd had.’ Van Marle werkt aan het ontwerp voor een kerk en wentelt zich in de onzekerheid over zijn eigen vermogens als architect.


Zoals de nieuwheid van een gebouw volgens Van Marle de fout van een gebouw is, zo is de nieuwheid van een wijk de fout van een wijk, of in het geval van Almere: de stad. We streven niettemin naar het creëren van ruimtelijke kwaliteit, die zich bij voorkeur zo snel mogelijk openbaart. Wat kwaliteit is werd lange tijd vastgelegd in contracten, afspraken, bestemmingsplannen, visies en beeldkwaliteitsplannen. De innerlijke onzekerheid van de architect, de stedenbouwer, de planoloog, de bestuurder werd zo met voetnoten toegedekt.
Mede onder druk van de crisis is het denken over ruimtelijke kwaliteit, of op zijn minst hoe je dat zou moeten bereiken, opgeschoven. De factor tijd is belangrijker geworden en het scheppen van voorwaarden waarin kwaliteit kan ontstaan, lijkt centraal gekomen. In het discours althans. In een tijd waarin alles in beweging lijkt, zoekt immers ook de ruimtelijke ordening naar haar bestaansrecht. Te midden van financiële instabiliteit, demografische verandering, technologische disruptie en op drift geraakte volkeren doen blauwdrukken nu eenmaal wat bespottelijk aan. Het idee dat planners zouden weten wat goed is voor de burger werd tot absurdisme en de totale overgave aan de onzekerheid over het eigen kunnen bleek plots een wenkend perspectief. Zo werd de verwarringsplanologie geboren, en werd het kroost na geboorte uiteindelijk in de schoot van de burger geworpen. Die kon immers zelf zijn omgeving het beste vormgeven.

Ruimte om te experimenteren
In Buiksloterham heeft die verwarring zijn beslag gekregen. Wie vanaf Amsterdam Centraal de pont naar Noord neemt, ziet aan beide zijden van het IJ bouwkranen uittorenen boven het oude en het nieuwe Amsterdam. Waar Bordewijk het IJ in 1955 nog omschreef als ‘een zo machtige barrière dat er een vervreemd Amsterdam aan de overkant begon’, zijn de oevers dermate sterk in ontwikkeling dat het water steeds meer een element is dat de stad aaneen heelt in plaats van verdeelt. Waar de zuidelijke oevers al decennia het domein zijn van bouwvakkers, zijn zij nu ook in groten getale neergestreken aan de noordelijke – en lokaal bewierookt als de zonnige – zijde van het water.
Dwalend door Buiksloterham vult de lucht zich met klanken uit radio’s, het gebonk van heipalen en kreten van gestage vooruitgang. Waar de steigers zijn verdwenen, is een nieuw landschap ontstaan dat zich niet gemakkelijk laat vergelijken. De transformatie van bedrijventerrein naar stadswijk voltrekt zich voor je ogen. Tegen een bouwmarkt aangeplakt staat een rijtje woningen waarvan elk huis zijn bestaansrecht lijkt te bevechten. Iets verderop zijn tussen bedrijfsloodsen al even expressieve gebouwen verrezen waarin gewoond en gewerkt wordt. Weer iets verderop doen op het land geplaatste schepen dienst als kantoorruimte.
Toen de bouw op zijn gat lag, kregen zelfbouwers, al dan niet in collectief, hier volop de ruimte om te experimenteren. Het gevolg is een gebiedsontwikkeling waarbij conventies over hoe gebiedsontwikkeling eigenlijk werkt op hun kop worden gezet. Zowel programmatisch als procesmatig is het fluïde. Het gebied wordt door een veelvoud aan partijen tot ontwikkeling gebracht, in een veelvoud aan vormen, met een pluriformiteit aan gezamenlijke en individuele doelen. De rollen van opdrachtgever en opdrachtnemer lopen daarbij niet zelden in elkaar over. Ook de traditionele partijen die zich in de ontwikkeling van Buiksloterham mengen, zoeken naar nieuwe vormen om de veranderde positie van de eindgebruiker recht te doen en op een andere manier kwaliteit toe te voegen aan het gebied. In plaats van dicterend zijn ze hier volgend – vooralsnog.
Gebieden als Buiksloterham bieden een dankbaar bedevaartsoord op lome zondagen. Genoeglijk vergaap ik me aan de ontluikende stad. Aan de kassen die woningen blijken, schepen die kantoren zijn, kroegen van sloopafval en flats van hout. Ik verwonder me over de innovativiteit van bouwers, de frisse ideeën over stadsontwikkeling en de aangename chaos die de verstrengeling van oud en nieuw teweeg heeft gebracht. Buiksloterham is daarmee een toonbeeld van hoe de afgelopen jaren door velen de toekomst van gebiedsontwikkeling is geformuleerd: lokaal gedreven, kleinschalig, duurzaam, gemengd en langzaam. Ruimtelijke kwaliteit als een spel met tijd en diversiteit.

Verhitte woningmarkt
Toch bekruipt me op de terugweg, wanneer ik fietsend door de stad laveer die als een woud van torenkranen is, een ongemakkelijk gevoel. Buiksloterham ontkiemde in een tijd van verregaande en noodgedwongen ontspanning. Amsterdam groeit echter al een tijd met meer dan tienduizend inwoners per jaar, en de woningmarkt is dermate verhit geraakt dat de stad fors inzet op woningbouw om die groei te kunnen accommoderen. De plannen buitelen over elkaar heen. De hoogte wordt gezocht, evenals de krapte. Woontorens vol kleine appartementen rollen van de tekentafels. De heipalen gaan de grond al in voor een huurder of koper is gesignaleerd – althans, iemand anders dan een belegger. Zorgen ontstaan over het opofferen van groen, van diversiteit en van gekoesterde stadscultuur. De idealen van de nieuwe gebiedsontwikkeling lijken op veel plekken vooral nog met de mond beleden. En daar waar ze wel in uitvoering worden gebracht, komen ze steeds meer onder druk te staan – ook in Buiksloterham. De kwaliteit van de oplossing dreigt onder het gewicht van de opgave te bezwijken.
Het zijn discussies die vertrouwd klinken. En al even vertrouwd is de aanzwellende roep om de weilanden in te trekken en daar de bouwketen op te stapelen. Niet alleen rond Amsterdam, maar ook rond de andere grote groeisteden. Weg van het complexe binnenstedelijke bouwen, weg van de rode contouren die de steden verstikken.
Deze laatste discussie werd aangewakkerd door de G32, maar net als rond de eerder oplaaiende discussie over de kwaliteit van de kust rijst hier weer de vraag: wie heeft hierin nu eigenlijk het voortouw? Ruimtelijke ordening is zodanig gedecentraliseerd dat er blijkbaar geen natuurlijke plaats meer is voor fundamentele discussies over ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit. En wanneer de NEPROM in haar visie Ruimte maken voor het Nationaal Geluk de Rijksoverheid oproept om weer de regie over de ruimte te nemen, kunnen we gerust stellen dat de verwarringsplanologie tot volledige wasdom is gekomen.
Even vraag ik me al fietsend af of we verblind zijn geraakt door het glimmende object in de hoek van de kamer – de zelfredzame burger met zijn spontane stedenbouw – en vergeten zijn dat ook de rest van de kamer onze aandacht behoeft. Omdat de rommel zich opstapelt, het tapijt versloft, en er nog meer mensen in het huis wonen of willen wonen, met conflicterende behoeftes en belangen.

Land van verschillende snelheden
Het realiseren van ruimtelijke kwaliteit staat niet op zichzelf, maar is in het beste geval een resultante van het streven om antwoorden te formuleren op sociaal-ruimtelijke opgaven. Zo verenigt het project Ruimte voor de Waal op sublieme wijze een antwoord op het watervraagstuk met een ruimtelijke kwaliteitsimpuls voor Nijmegen. De afgelopen jaren leek echter het idee post te vatten dat de grote opgaven achter ons liggen. Dat ons land wel af is, onze steden wel voltooid en we slechts dat hoefden te verbeteren wat al bestond. Dat was dan een luchtspiegeling. De opgaven zijn talrijk, maar met lokaal zeer verschillende consequenties.
Ergens buiten Amsterdam ziet de werkelijkheid er anders uit. De bouwhausse in de hoofdstad staat in schril contrast tot de dynamiek van sommige middelgrote steden waar binnensteden leeglopen en ontwikkeling stagneert. En waar de grote steden groeien, krimpt ons land voorzichtig langs de randen. Van de Zeeuwse vlaktes tot de Groningse velden. Waar de ruimtelijke kwaliteit aan de ene kant wordt bedreigd door schaarste, wordt ze aan de andere kant bedreigd door leegte. Nederland wordt in toenemende mate een land van verschillende snelheden, waarin ook de sociale en economische tegenstellingen toenemen.
Groei, krimp, ongelijkheid, leegstand, migratie, klimaatadaptatie, robotisering. Er is een rijkheid aan opgaven met ruimtelijk uiteenlopende en soms paradoxale gevolgen. Dit alles begeleid door een dreigend koor dat zich onder aanvoering van Adriaan Geuze beklaagt over de verrommeling van het landschap . Het streven om een kwalitatief antwoord te vinden op die opgaven zou de basis moeten vormen voor een sterke ruimtelijke ontwikkeling, een basis waarop alle partijen hun tenten zouden moeten opslaan om hun ontwerpkracht te bundelen.
Maar in de nasleep van de crisis is een voorzichtigheid binnengeslopen bij de traditionele opdrachtgevende partijen – de corporaties, de ontwikkelaars en vooral de overheden. Terwijl deze partijen in de praktijk nog altijd in grote mate de ruimtelijke ordening van ons land bepalen, lijken ze bij voorkeur hun eigen rol daarin te ontkennen. Aan visies wagen overheden zich in de regel liever niet meer, aan grote plannen evenmin. Komt het niet door afgenomen financiële of politieke mogelijkheden, dan komt het wel door de angst zich – wederom – te verslikken in de eigen ambities of in de toegenomen complexiteit van de samenleving. En hoewel het grootste deel van de bouwproductie nog altijd voor rekening is van traditionele ontwikkelaars, lijkt het resultaat daarvan ook die opdrachtgevers zelf nauwelijks te imponeren. Die conclusie zou je althans kunnen trekken, kijkend naar het beperkte aantal inzendingen dat zij deden voor de Gouden Piramide 2016. Achten zij hun eigen opdrachtgeverschap niet inspirerend genoeg? Dat zou, gezien de omvang van de productie die zij leveren, een somber stemmend signaal zijn.

Ruimtes scheppen
De pleidooien van de G32 en NEPROM laten al zien dat over de ontstane situatie ongemak bestaat. En ook het manifest van het Jaar van de Ruimte laat zich lezen als een worsteling met rollen en prioriteiten. Dat terwijl de opgaven prangend zijn en vragen om oplossingen die niet alleen tijdelijk soelaas bieden, maar ook duurzaam kwaliteit toevoegen aan – of terugbrengen in – onze steden en ons landschap. Er is dus alle aanleiding om de aanpak daarvan ook als overheden en ontwikkelaars bevlogen ter hand te nemen, en om te streven naar inspirerend opdrachtgeverschap. Waarbij de burger weliswaar een voorname rol speelt, maar niet kan dienen als schaamlap voor het eigen onvermogen.
In de roman van Bordewijk acht de architect Van Marle zichzelf niet in staat om met de onzekere factoren die zijn ontwerp kunnen beïnvloeden om te gaan. ‘Er bestonden wel zekere regels omtrent verkleuringen door de tijd, tonigheid, patina en zo meer, en toch bleef het gissen. Men moet een zekere flair bezitten, en die had hij niet. Daarom, dacht hij, is die innerlijke onzekerheid, zelfs bij gunstige oordeelvelling, wezenlijk erger dan zekerheid onafhankelijk van welk oordeel ook.’
En hoewel de onzekerheden andere zijn dan die van Van Marle, moeten ook ruimtelijke opdrachtgevers een zekere flair bezitten waarmee ze die onzekerheden te lijf gaan. Hoe het (stedelijk) leven de komende vijftig jaar zal veranderen, kunnen we niet tot in detail uittekenen, maar de verantwoordelijkheid in zijn geheel over de schutting van de burger gooien, is een te gemakkelijke uitvlucht. Tenslotte is er meer nodig dan een praktisch antwoord op de postzegel, maar moeten bij alle opgaven ook vragen worden gesteld over wenselijkheid, rechtvaardigheid en kwaliteit van leven op een hoger schaalniveau. Vragen die moeten resulteren in een overheid die nieuwe condities schept voor ruimtelijke kwaliteit, en die ontwerpers, ontwikkelaars en burgers inspireert om daaraan in wisselende coalities vorm te geven. Om niet in de eerste plaats woningen, winkels en kantoren, maar boven alles ruimte te scheppen. Stevig ingebed in en gevoed vanuit een lokale context.

Ademruimte
Aan het eind van het boek, wanneer hij door persoonlijk leed getroffen is, vraagt Van Marle zich af of hij zich heeft overgegeven aan zinsbegoocheling. ‘Zou het niet het ambacht zijn geweest dat in hem sprak, in hem die dermate bezeten bleek van het bouwheerschap dat hij bezig was – hij, mens – in diafane stapeling van zeepbellen een architectuur à outrance op te trekken van eeuwigheid en onsterfelijkheid?’
Dit essay moet zich dan ook niet laten lezen als een pleidooi voor een terugkeer naar een allesomvattende planning. Het openbreken van de ruimtelijke ordening en het betreden van het speelveld door een brede waaier aan nieuwe partijen is een noodzakelijke correctie op een periode waarin de toekomst een beheersbaar gegeven was geworden en ruimte voor spontaniteit ontbrak. Die hervonden ademruimte moet gekoesterd. Dat ontslaat overheden, ontwikkelaars en corporaties echter niet van de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de ruimtelijke kwaliteit in die gebieden waar zij actief zijn. Om de grote onzekerheden van deze tijd tegemoet te treden en zonder schroom antwoorden te formuleren op de opgaven die voor ons liggen. Om de zoektocht naar die oplossingen te verbinden aan de kracht van de lokale gemeenschap. Zodat niet alleen de zelfredzame burger, maar de samenleving als geheel wordt gediend. Met de flair waaraan het Van Marle ontbrak, maar die essentieel is om de kwaliteit van onze steden en ons landschap te behouden.