Mondriaanjaar

Voor Blauwe Kamer schreef ik de volgende korte column:

Nergens is Den Haag meer zichzelf dan aan zee. Over het strand rollende golven laten grillige patronen achter van schelpen, kwallen en zeewier – en aan de andere kant van de duintoppen doen de mensen hetzelfde. Ze hebben er een stad gebouwd tegen de duinen op, met wijken als door golven op elkaar gedrukt, ogenschijnlijk zonder plan. Een stad die zich uitstrekt langs de kustlijn, met parallel daaraan lange, rechte wegen die uit het niets komen en in het niets eindigen. Waar van boven alles in beweging lijkt, en je telkens als je denkt een patroon te ontwaren aan het wankelen wordt gebracht.
Een stad waar ze spreken over tweedelingen als zand en veen, Hagenaars en Hagenezen, en waar de Laan van Meerdervoort wordt beschouwd als een scherprechter – als om te verhullen dat er van de stad niets deugt en ze heus wel terug te brengen is tot iets begrijpelijks, een dichotomie die alle misverstanden oplost.
‘Zolang nog niet iedere vorm zijn stad gevonden heeft, zullen er nieuwe steden blijven ontstaan’, schreef Calvino in De onzichtbare steden, maar is Den Haag eigenlijk wel door een vorm gevonden? Maarten Schmitt, de voormalige stadsstedenbouwer, vond van wel. Hij zag in Den Haag het laatste, onvoltooide werk van Mondriaan: de Victory Boogie Woogie. Een stad die geen eenheid is door haar balans, maar door de verhouding tussen haar bewegingen, zei hij.
Deze stad, ze danst.