De oesters van Jacob

‘Neem wat je wil!’ riep Jacob uit, terwijl ik de mij aangereikte menukaart aannam. Ik was een student planologie van begin twintig, hij was hoofd binnenstadsontwikkeling in Almelo. Even tevoren hadden we ons vergaapt aan een maquette van de nieuwe binnenstad die in Almelo moest verrijzen. In die wereld van schuim was de stad onherkenbaar. Niet omdat alles zo klein was, of zo blauw van kleur – meer omdat de stad zoals we die kenden was uitgewist en vervangen door woontorens en waterlopen. Prachtig zou het worden. Maar zoals op die maquette is het nooit geworden.Na het vergapen aten we. Dat was in korte tijd een traditie geworden. Dat wil zeggen, het was pas de tweede keer, maar dat had Jacob niet verhinderd enthousiast te verkondigen dat het weer tijd was voor ons jaarlijkse diner.
Jacob nam oesters, dat deed hij altijd als hij daar at. Hij had er naar uitgekeken. Ik koos het gerecht van de kaart dat me het meest bekend voorkwam. Toen een ober langs de tafel liep met een trolley vol sterke drank, bezwoer hij me iets te kiezen dat ik normaal niet zou nemen. Ik bestelde na uitvoerig advies een Grand Marnier. Ik dronk hem niet op. We spraken over de stad en zagen de tafels rond ons langzaam leeglopen en opgemaakt worden voor een nieuwe dag.
We zaten aan die tafel omdat ik een weblog had over architectuur en stedenbouw in Almelo. Dat lijkt in deze tijd een tamelijk vruchteloze onderneming, maar destijds buitelden de grote plannen in Almelo over elkaar heen. Van Lehman Brothers had nog nooit iemand gehoord en bouwen was het panacee voor stadse kwalen. Niet in het minst voor de teloorgang van de textielindustrie.
Een gesprek met Jacob was nooit saai, hij nam zelden een blad voor de mond. Dat zou hem later landelijke faam bezorgen, toen hij zich bij Zembla – dat een kritische uitzending maakte over de binnenstadsplannen – liet ontvallen dat er anderhalf miljard in de binnenstad zou worden geïnvesteerd ‘omdat dit geen stad van armoe hoeft te zijn en blijven’. ‘Ho, hier wordt een wel heel zwartgallig beeld van Almelo neergezet’, onderbrak een voorlichter hem op camera, ‘mag dit stukje even overnieuw?’ Waarop Jacob antwoordde: ‘Maar ik kan er niet zoveel anders van maken.’
Het bleef bij een tweevoudige traditie. Toen ik van de universiteit kwam, was de crisis alweer twee jaar onderweg. Van de wereld van voor de crisis, waar ik vaag aan had geroken en die voor mij rook naar oesters en Grand Marnier, was weinig over. De ruimtelijke ordening was afgeschaft en in Almelo bleken de grote plannen kaartenhuizen. De maquette begon steeds meer te lijken op de stad die ik kende. Tot uiteindelijk ook de maquette zelf verdween.
Ik liep bijeenkomsten af met namen als ‘Doe het zelf’, waar ruimtelijke professionals elkaar bekenden dat zij het antwoord op maatschappelijke vraagstukken niet hadden. De toekomst werd verruild voor het heden. En wie verder luisterde, hoorde ook een verlangen van burgers zich vrij te maken van een verdacht geraakte overheid. Het libertarische gedachtegoed van Silicon Valley nestelde zich voorzichtig in de ruimte. En toen me tijdens een bijeenkomst op een braakliggend terrein in Deventer werd opgedragen een zurige, zachte kaas met een bouwhek in stukken te snijden, wist ik zeker: ook de geur van het vakgebied was veranderd.
Ik moest daar in dat onbestemde land, waar het gras tot onze knieën stond, onwillekeurig denken aan Jacob. Zijn heilige vooruitgangsgeloof heeft Almelo niet opgestoten in de vaart der volkeren en de gedachte aan de maquette vol torens zou nu menig Almeloër in een lachstuip doen schieten – als hij niet al in een kramp had gelegen. Maar zijn liefde voor de stad, in schuim vervat, was ontegenzeggelijk.
Die stedelijke utopieën pasten in een patroon van voortdurende vernieuwingsdrang dat de stad – als vele andere – al decennia in zijn greep had gehouden. Welke verlangens leiden ertoe dat een stad zichzelf keer op keer opnieuw probeert uit te vinden, vroeg ik me af, dat ze torens tot in de hemel wil optrekken?
En met mijn neus boven die Deventerse kaas verlangde ik voor even naar de geur van oesters en Grand Marnier. En naar de verhalen van Jacob over een toekomst die zo nabij en toch voor altijd buiten bereik zou zijn.

I.M. Jacob Melsen