Voor Blauwe Kamer schreef ik de volgende korte column:

Ik zou kunnen vertellen van de steden die ik deze zomer zag, van de nacht die viel over het onbekende land, van hoe goedkoop het bier was (het was echt heel goedkoop), maar liever vertel ik van het thuiskomen. Van het moment waarop je eigen stad zich weer aan je ontvouwt en alle vertrouwde elementen die al bijna waren losgeweekt zich met kleine weerhaakjes weer vastzetten in je hoofd, nog steviger dan voor je vertrok. Van een afstand de ministerietorens – ik behoor tot die selecte groep van mensen voor wie de paleizen van de ambtenarij een warm gevoel van thuis oproepen – en dan van dichtbij de bloemenkiosk naast het station, het gerammel van de oude trams, de bomen op het Voorhout die nog vol in het blad staan en het eeuwige gewoel op het Spui, dan de namen langs de tramroute waarop ik altijd even mijn blik laat rusten – ijssalon Florencia, cafe Lekker Belangrijk, coffeeshop Netsotov – en uiteindelijk de sleutel in de voordeur van mijn eigen huis, het gevecht tegen de steile trappen en het doffe geluid van een zware rugtas die op het tapijt ploft. Ik voelde me in dat ene korte moment zo volkomen thuis dat ik niet kon wachten om weer op reis te gaan.

Voor Blauwe Kamer schreef ik de volgende korte column:

Nergens is Den Haag meer zichzelf dan aan zee. Over het strand rollende golven laten grillige patronen achter van schelpen, kwallen en zeewier – en aan de andere kant van de duintoppen doen de mensen hetzelfde. Ze hebben er een stad gebouwd tegen de duinen op, met wijken als door golven op elkaar gedrukt, ogenschijnlijk zonder plan. Een stad die zich uitstrekt langs de kustlijn, met parallel daaraan lange, rechte wegen die uit het niets komen en in het niets eindigen. Waar van boven alles in beweging lijkt, en je telkens als je denkt een patroon te ontwaren aan het wankelen wordt gebracht.
Een stad waar ze spreken over tweedelingen als zand en veen, Hagenaars en Hagenezen, en waar de Laan van Meerdervoort wordt beschouwd als een scherprechter – als om te verhullen dat er van de stad niets deugt en ze heus wel terug te brengen is tot iets begrijpelijks, een dichotomie die alle misverstanden oplost.
‘Zolang nog niet iedere vorm zijn stad gevonden heeft, zullen er nieuwe steden blijven ontstaan’, schreef Calvino in De onzichtbare steden, maar is Den Haag eigenlijk wel door een vorm gevonden? Maarten Schmitt, de voormalige stadsstedenbouwer, vond van wel. Hij zag in Den Haag het laatste, onvoltooide werk van Mondriaan: de Victory Boogie Woogie. Een stad die geen eenheid is door haar balans, maar door de verhouding tussen haar bewegingen, zei hij.
Deze stad, ze danst.

In opdracht van het Projectbureau Gouden Piramide schreef ik in 2016 het essay ‘Bouwen met flair’, dat verscheen in het jaarboek van de Gouden Piramide, de Rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap. De volledige tekst is hieronder opgenomen, maar ook te downloaden als PDF of terug te lezen in de publicatie Hart en Ziel, verkrijgbaar via nai010 uitgevers.
_

‘Een architect levert een gebouw nooit gaaf af’, zegt de architect Van Marle in de roman Bloesemtak van F. Bordewijk. ‘Het is gloednieuw, en de nieuwheid, deugd bij een machine, is de fout van een gebouw. Men moet kunnen vooruitzien hoe een gebouw zou zijn als het klimaat er de laatste hand aan gelegd had.’ Van Marle werkt aan het ontwerp voor een kerk en wentelt zich in de onzekerheid over zijn eigen vermogens als architect.

Lees verder »

Voor Blauwe Kamer schreef ik de volgende korte column:

Het was een vreemde gewaarwording om, daags na de overwinning van Trump, duizenden mensen in protest door de straten van Amerikaanse steden te zien trekken. In reacties op straat en op sociale media sijpelde, behalve zorgen over polarisatie en woede over retoriek, ook iets door van ongeloof te moeten leven in het land van een ander. Een ander met wie je weinig deelt; die weliswaar leeft onder dezelfde vlag, maar dáár, elders.
In reactie op de uitslag verklaarde de gouverneur van New York zijn staat een veilige haven voor minderheden en migranten. Een soortgelijk sentiment was na de Brexit in Londen te ontwaren, dat zich nog net niet onafhankelijk verklaarde. Beide dreven op verkiezingskaartjes als eilanden van globalisering in een zee van ontwakend nationalisme.
Het politieke schouwspel leidde, ook in Nederland, tot het verschijnen van een hausse aan stukken over tweedelingen en filterbubbels, al werden de grenzen daarvan telkens anders getrokken. Waar ligt eigenlijk het land van de ander; en gaat er een bus naartoe?
De toenemende verschillen binnen Nederland hebben nadrukkelijk een ruimtelijke component – maar hebben ze ook een ruimtelijke remedie? Dat is een van de belangrijke vragen waar we de komende tijd voor staan.
De afgelopen jaren werd in het vakgebied vooral de triomf van de stad gevierd. Met de Tweede Kamerverkiezingen in aantocht kan ik enkel hopen dat dat geen pyrrusoverwinning zal blijken.

‘Neem wat je wil!’ riep Jacob uit, terwijl ik de mij aangereikte menukaart aannam. Ik was een student planologie van begin twintig, hij was hoofd binnenstadsontwikkeling in Almelo. Even tevoren hadden we ons vergaapt aan een maquette van de nieuwe binnenstad die in Almelo moest verrijzen. In die wereld van schuim was de stad onherkenbaar. Niet omdat alles zo klein was, of zo blauw van kleur – meer omdat de stad zoals we die kenden was uitgewist en vervangen door woontorens en waterlopen. Prachtig zou het worden. Maar zoals op die maquette is het nooit geworden. Lees verder »

Voor Blauwe Kamer schreef ik de volgende korte column:

Vorige week trok ik door het Groningse Hoogeland. De leegte van het landschap wordt er sporadisch onderbroken door dorpjes die tussen boompartijen schuilen voor de wind. Dorpjes waarvan de fysieke ontwikkeling lijkt gestopt in 1950 en waar je volop kleine huisjes aantreft. Zoals het dorp Kleine Huisjes.
Ooit zijn mijn grootouders door een textielfabrikant uit zo’n Gronings huisje geplukt en met de belofte van werk en een groter huis naar het verre Enschede verscheept. Zouden zij nu jong zijn geweest, dan zouden ze het tegenovergestelde hebben gedaan. Want er is maar één ding dat millennials liever schijnen te willen dan gratis wifi, en dat is klein wonen.
Of het nu in micro-appartementen is of in zelfvoorzienende Tiny Houses – overal wordt de romantiek van de beperking voorgespiegeld. De nieuwe stedeling heeft immers geen eigen ruimte nodig, die ziet de stad als zijn huiskamer en de wasserette als zijn kerk. Dat wordt hem in ieder geval verteld.
Zelf heb ik in Amsterdam ook een aantal jaren in zo’n klein huisje gewoond. Met twee personen in een micro-appartement van twintig vierkante meter. Ik kan daarom volmondig beamen dat klein wonen ook in mij allerlei romantische verlangens aanwakkert. Al was dat vooral naar groter wonen.

In het Jaar van de Ruimte organiseerde ik samen met Emilie Vlieger (Vliegerprojecten) de Ruimteverkenning. Met een groep van dertig jonge ruimtemakers trokken we door vijf uiteenlopende regio’s: Amsterdam, Parkstad, Twente, Eindhoven en Groningen. Wat we aantroffen was een land dat zich steeds meer op verschillende snelheden beweegt. De bevindingen van de Ruimteverkenning zijn samengebracht in een reisverslag en een routekaart, die hier te bekijken zijn. Voor de publicatie was ik auteur en voerde ik de eindredactie. Onderstaand de tekst die ik schreef voor de routekaart.
_

Op reis door Nederland zagen we de schoonheid van verschillen. Het coulisselandschap van Twente, de leegte van het Groningse land. De Limburgse heuvels, de Waddenzee. Een diversiteit aan landschappen op een klein oppervlak. Die diversiteit kenmerkt ook het stedelijke landschap. Nederland is een mozaïek van kleine en (middel)grote steden, die zich tot elkaar proberen te verhouden.
Lees verder »

Voor Blauwe Kamer schreef ik de volgende korte column:

Onlangs luisterde ik een interview met de Vlaamse schrijver Joost Vandecasteele. Hij omschreef zichzelf als geografisch transseksueel. Iemand die niet in het verkeerde lichaam, maar op de verkeerde plek geboren is. Dat begreep ik wel. In mijn familie ben ik de enige geboren Almeloër.
Het is een rusteloze stad, Almelo. Niet zozeer omdat het leven er zo hectisch is – JC Bloem omschreef de stad ooit als ‘der gaten gatst’ – maar omdat ze maar blijft zoeken naar haar verhaal. Die rusteloosheid sloeg op mij over. Ik verhuisde nog vaak, maar kwam van de stad nooit helemaal los.
Na de teloorgang van de textielindustrie volgden golven van stadsvernieuwing elkaar op. De stad kreeg nauwelijks de tijd om aan zichzelf te wennen. Waar eens fabrieken stonden, verrezen winkelpassages die uiteindelijk vooral leegstand huisvestten. Het marktplein van Almelo is erdoor verworden tot een openluchtmuseum van goede bedoelingen.
Inmiddels is een nieuwe golf van stadsvernieuwing alweer begonnen. En terwijl overal in het land retaildeskundigen de pers te woord stonden over het onheil dat over onze binnensteden werd afgeroepen, werd in Almelo een eerste bouwhandeling verricht. Het project? Het ombouwen van de voormalige V&D tot appartementen. De V&D sloot er twaalf jaar geleden al.
Voor even had Almelo zijn verhaal gevonden. Het was een gidsstad.