De zomernacht kleefde aan de stad, de warmte bleef maar tussen de huizen hangen en dreef me uit mijn kamer. Ik dwaalde door de straten van Charlottenburg, waar kalmte heerste. De buurt zat vol chic die zich bij nacht verstopte achter statige façades, de kroegen op de Stuttgarter Platz sloten al om een uur of één. Alleen in de straat voor het station, met zijn wederopbouwflats vol schotelantennes, schuurde de stad een beetje.
Vanuit een portiek stond een hoertje naar me te lonken. Haar zwartleren rokje zat strak om haar mollige dijen gespannen, boven haar hoofd lichtten in neon de woorden Starlight Bar op. Ik nam haar aandachtig op, vertraagde onbedoeld mijn pas. Toen ze het zag knipte ze met haar vingers en streek ze langs haar lippen, die vol en lustig waren als gerijpte vruchten. Rond de kiosk van Maximilian hingen de dronkenlappen van de buurt met een worst en een fles bier. Ze waren luid en hun buiken schudden mee op de maat van hun gezang. Ik had al snel weer zin in zo’n uitgestorven straat, als ik te lang naar dat volk keek.
Bij de Russische winkel onder het spoorviaduct stonden de kratten groente en fruit nog op de stoep uitgestald, er werden nieuwe aangesleept uit een bestelbusje. Onder het viaduct echode de bedrijvigheid de nacht in, de rook van een afvoer bleef laag hangen onder de spoorbaan. Uit de winkel stortte een vloed van tl-licht over de donkere straat, de schappen dreven er als volgepakte vrachtschepen in. Ik zocht een weg door de paden naar het schap met dranken. Op de flessen bier stonden arbeiders met gezichten als klauwhamers afgebeeld, ik kreeg er dorst van. Ik rekende buiten af bij één van de Russische jongens, die allemaal even nors waren en vermoeide trekken rond hun ogen hadden. Hij sloeg het bedrag aan op een mechanische kassa en stak de flesjes in een tasje.
In het Lietzenseepark dronk ik de flesjes leeg. Bij daglicht schuifelden de Duitsers, Russen en Turken er deftig langs het water, als de protagonisten van de stad die zich zo majestueus rondom het meer vouwde. In de nacht was hij het domein van opgeschoten jeugd die zich in het park verborg, bij voorkeur in de stenen bakken van de droogstaande waterval. Ze waren te horen, maar niet te zien. Ik zat op mijn vaste plek, een bankje onderaan het talud van de Kantstraße, waar het meer zich voor me uitstrekte. Het maanschijnsel drong zich door het floers van de nacht. Het dreef als een dunne nevel op het water.