Ik zou kunnen vertellen van de steden die ik deze zomer zag, van de nacht die viel over het onbekende land, van hoe goedkoop het bier was (het was echt heel goedkoop), maar liever vertel ik van het thuiskomen. Van het moment waarop je eigen stad zich weer aan je ontvouwt en alle vertrouwde elementen die al bijna waren losgeweekt zich met kleine weerhaakjes weer vastzetten in je hoofd, nog steviger dan voor je vertrok. Van een afstand de ministerietorens – ik behoor tot die selecte groep van mensen voor wie de paleizen van de ambtenarij een warm gevoel van thuis oproepen – en dan van dichtbij de bloemenkiosk naast het station, het gerammel van de oude trams, de bomen op het Voorhout die nog vol in het blad staan en het eeuwige gewoel op het Spui, dan de namen langs de tramroute waarop ik altijd even mijn blik laat rusten – ijssalon Florencia, cafe Lekker Belangrijk, coffeeshop Netsotov – en uiteindelijk de sleutel in de voordeur van mijn eigen huis, het gevecht tegen de steile trappen en het doffe geluid van een zware rugtas die op het tapijt ploft. Ik voelde me in dat ene korte moment zo volkomen thuis dat ik niet kon wachten om weer op reis te gaan.

Deze column verscheen eerder bij Blauwe Kamer