Boven Kreuzberg hangt een helikopter stil als een roofvogel en regelmatig trekt een colonne politieauto’s voorbij. Hun sirenes verdrinken in de diepe bastonen die vanaf de Oranienplatz door de wijk dreunen, hun zwaailichten zijn als discolampen. Het is 1 mei in Berlijn. Traditioneel gaat de eerste mei hier gepaard met betogingen, die tegen het vallen van de avond uitmonden in een orgie van geweld. Om het rituele geweld te beteugelen wordt sinds 2003 een groot straatfeest georganiseerd in het hart van Kreuzberg. Het lijkt te werken. Er wordt steeds meer gedanst en steeds minder gevochten.
Omdat ik ook de rauwe kanten van de stad ontdekken wil – én bevangen ben door een vlaag van sensatiezucht – neem ik de S-Bahn naar de Jannowitzbrücke. Buiten het station kijkt een politiemacht naar benevelde feestgangers die over de brug naar Kreuzberg trekken. Op hun beurt slaan zij geen acht op de rij geparkeerde pantservoertuigen. Ik loop met ze mee.
In de Heinrich-Heine-Straße heerst kalmte. Ik ben te laat. Niet veel eerder trok hier de grote avondbetoging langs. Nu zijn de kreten verstorven en resten de vertrapte flyers op het asfalt, de versplinterde ruiten van een bankfiliaal. Naast een omvergeduwde Citroën staat een man te bellen, glas kraakt onder zijn voeten. Het tafereel lijkt misplaatst in de rust van het moment. Oorzaak en gevolg zijn uit elkaar getrokken. Op de Moritzplatz is de stemming uitgelaten. In het gras van de rotonde zitten mensen op plastic tuinstoelen. Een fotograaf legt een gedeukte auto vast, een kind trapt tegen een bal. De voorbijtrekkende politiecolonnes lijken eerder de dreiging van de geschiedenis na te jagen, dan de dreiging van het moment. De helikopter hangt inmiddels boven Mitte, en ik besluit te volgen. Immers, er was mij vechten beloofd.
Ook voor station Friedrichstraße rusten geparkeerde pantserwagens. Een agent leunt tegen zijn bus en rookt een sigaret. In de verte klinkt gezang, er knalt vuurwerk. Vlak voor ik de betoging bereik word ik in de smalle arcade langs de Friedrichstraße aan de kant gedrukt door een bataljon oproerpolitie.
Een stroom betogers trekt door de straat. Velen in zwart gehuld, sommigen met hun gezicht bedekt. Ze dragen revolutionaire symbolen met zich mee en heffen nieuwe gezangen aan. ‘An-ti-ka-pi-ta-lis-ta!’ weerkaatst het tussen winkelketens, hotels en bankgebouwen. Geamuseerde toeristen proberen boven de haag van agenten uit te steken om het tafereel gade te slaan. Er flitsen hier geen molotovcocktails, maar camera’s. Demonstreren wordt folkore. Ik trek een stukje met de betogers op richting Unter den Linden, waar ze op de brede straat uit elkaar waaieren, en besluit dan naar huis te gaan. In Charlottenburg is het nog net zo stil als het altijd was.
De volgende ochtend lees ik dat de eerste mei geweldlozer dan ooit verlopen is.