‘Als we zeven jaar niet hebben gebouwd, en de groei van de stad toch hebben weten op te vangen, hoe reëel is dan die grote bouwopgave waar iedereen het over heeft?’ vroeg Adri Duivesteijn zich af bij de opening van de dag van de architectuur. Toch was dat wel waar de dag veelal over ging: Den Haag groeit en moet, om die groei te accommoderen, flink bijbouwen. Maar, zo drukte scheidend wethouder Joris Wijsmuller de aanwezigen op het hart, elk bouwproject moet wel iets toevoegen aan de stad. Kwaliteit boven kwantiteit. Wat dat kan betekenen moest tijdens de dag duidelijk worden. Het thema: innovatieve woonstad.

Tijdens de crisis lag de grootschalige stadsontwikkeling grotendeels stil. Het waren voornamelijk pioniers die, alleen of in een collectief, met kleinschalige initiatieven de ontwikkeling van de stad gaande hielden. Organisch ontwikkelen werd het devies, samen stadmaken de mantra. De stad ontwikkelde zich, stapje voor stapje, langs lijnen van geleidelijkheid. Inmiddels zijn de tijden veranderd: het grote bouwen is terug en de grote bouwers vragen om regie van de overheid. Het organische gedachtegoed dat tijdens de crisis postvatte – en geleidelijk door ontwikkelaars werd omarmd – komt op allerlei plekken in botsing met de woningbouwopgave. Want hoe hou je vast aan kleinschalige, tijdelijke en veelal langzame initiatieven wanneer de kranten met vette koppen reppen van een woningmarkt die overkookt? Ook in Den Haag broeit het.

Klein, groen en samen

De Dag van de Architectuur balanceerde op die rand. Het thema innovatieve woonstad refereerde aan de ene kant aan de kwantitatieve bouwopgave van Den Haag: elk jaar moeten er 2200 tot 2500 woningen worden gebouwd. Aan de andere kant refereerde het aan de kwalitatieve opgave: hoe bouwen we die woningen zo dat ze daadwerkelijk iets toevoegen aan de stad en bovendien bijdragen aan andere opgaven zoals de energietransitie en klimaatadaptatie?

De oplossing werd vooral gezocht in kleinschaligheid: ‘Hou het klein, maak het groen en doe het samen’ kopte de programmakrant. Dat waren ook de rode draden in de pitches waarmee de dag opende. Architect Ana Rocha verbaasde zich over de vele, soms maar deels benutte, parkeerterreinen in de binnenstad van Den Haag en presenteerde Slim Fit: een kleine villa die past op de plek van een parkeerplaats. Maarten Innemee van Studioschaeffer toonde het potentieel van de bestaande stad: een groot van de woningbouwopgave is op te vangen door kleinschalige en bottom-up gedreven inpassingen in, op en tussen bestaande bebouwing. Arie Voorburg, door het publiek uitgeroepen tot winnaar, hield een pleidooi voor de verbinding tussen natuur en technologie en het zoeken naar een meer natuurlijke manier van bouwen met vernieuwende materialen.

Schuren

Ook een tocht langs de uitgelichte projecten gaf invulling aan klein, groen en samen. Het CPO-project Groene Mient bij uitstek: dat toonde hoe een collectief een sociaal ecologisch woonproject kan realiseren dat niet alleen in idee, maar ook in vorm interessant is en zich bovendien naadloos voegt in het stedelijk weefsel. Elders schuurde het wat meer. In Proeftuin Erasmusveld, wat een toonbeeld moet worden van gezond en duurzaam stedelijk leven, viel vooral de dichotomie op tussen de vijf in het groen geplaatste tiny houses — volgens het informatiebord creëren de bewoners er de wortels voor een ‘bezielde leefomgeving’ — en de omringende bouwwoede, waarbij bezieling zo op het eerste oog niet voorop leek te staan. In de Laakhavens was iLofts geselecteerd, maar in het oog sprong vooral de kwaliteitsarme nieuwbouw die het project omringde.

Op de Binckhorst schuurde het eveneens, hoewel minder zichtbaar. De kluswoningen in het Junoblok pasten goed in de manier waarop de Binckhorst zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld: kleinschalige initiatieven die op spannende plekken een aanzet geven voor de transformatie van bedrijventerrein naar gemengd stedelijk gebied. Tegelijkertijd is dit de plek waar de meest ambitieuze groeiambities van Den Haag worden geprojecteerd. Voorafgaand aan de dag verschenen de eerste maquettes vol woontorens. Vasthouden aan de door de gemeenteraad omarmde kernwaarden voor de ontwikkeling van de Binckhorst — authentiek, rauw, divers — kon weleens een tour de force worden.

Van gebouw naar gebied

Minstens zo interessant was dan ook welke projecten geen deel uitmaakten van de dag van de architectuur. Onderweg vielen her en der de bouwkranen op die hoorden bij projecten die voldoen aan noch klein, noch groen, noch samen, maar tezamen wel de bulk van de bouwproductie vormen. Na jaren van relatieve droogte zal de bouwproductie de komende jaren, mits zich geen nieuwe crisis aandient, alleen maar toenemen, en veel van de projecten die op stapel staan zijn hoogstedelijk en grootschalig. Om in die veranderende context met succes vast te houden aan de groene, inclusieve ambities is niet alleen visie en overtuigingskracht nodig, maar ook een goede vertaling van de kleine naar de grote schaal. Van gebouw naar gebied.

De dag van de architectuur toonde de bezoeker de kiemen van een duurzame, leefbare en gezonde stad, maar liet de vraag open hoe de sprong naar de grotere schaal kan worden gemaakt. Inspiratie bood de dag daarvoor wel, bijvoorbeeld in het afsluitende stadsgesprek, waar Vincent Kompier een vergelijking trok tussen Berlijn en Den Haag en liet zien hoe een samenspel tussen grootschalige, geregisseerde bouw en (collectief) particulier opdrachtgeverschap een spannende en levendige stad kan opleveren, met maximale functiemenging en kansen voor toe-eigening van de openbare ruimte door bewoners. Hij voegde daarmee aan de principes klein, groen en samen nadrukkelijk ook ‘stedelijk’ toe — misschien is dat wel de missing link.

Voor De dag van de Architectuur in Den Haag schreef ik een verslag dat eerder verscheen op HAACS.