Afhankelijk van waar je de klemtoon legt, klinkt het als een absurdistisch VPRO-programma: Haparandadam. In werkelijkheid is het een dam die zich enkele honderden meters uitstrekt in het IJ. Het is ook een scheiding van werelden. Wanneer je op het bankje zit aan het einde van de dam zie je rechts de stad en links de haven.
De dam zelf is de as van een tussenland waar stad en haven zich met elkaar proberen te verzoenen. Waar bouwkranen wedijveren met havenkranen, en waar een oude pont een restaurant geworden is. En vooral waar de stad gestaag terrein wint – je hoort het aan de doffe dreunen waarmee de heipalen in de grond geslagen worden. Nergens is de transformatie van Amsterdam naar een stad aan het water voelbaarder dan op het bankje van de Haparandadam. Ik zit er graag.
Vanmiddag kwam een man naast me zitten. We voerden een mannengesprek van korte zinnen en lange stiltes. Hij werkte al twintig jaar in Amsterdam, vertelde hij, maar was hier nog niet eerder geweest. Hij sprak traag als het binnenvaartschip dat aan ons voorbijtrok, zijn woorden leken zich lui uit te rekken in de nazomerzon.
‘Het is hier prachtig,’ zei hij.
Ik knikte omdat ik niet wilde zeggen dat alles veranderen zou. Beter leek het me om als twee mannen zwijgend naast elkaar naar de wereld te kijken, dus dat deden we maar. Het was er prachtig, ik zag het ook.