Het mooiste van een ronde wereld is dat ze niet eindigt. En dat elke plek precies zo centraal ligt als elke andere plek. Toch zijn er veel plekken waar je je ver van alles voelt, zo dat het ongemakkelijk is. Niet bovenop een berg, maar ergens bij het Nauw van Bath bijvoorbeeld.
Zeeland is van een ongekende schoonheid. Het kale landschap vol oude dorpjes, de machtige betonkolommen van de Kreekraksluizen, de Plompe Toren die eenzaam aan de Oosterschelde staat, de Deltawerken. De manier waarop de mens er de natuur in haar driften tracht te beteugelen is even imponerend als ontroerend. En soms maakt de grootsheid van alles je vreselijk klein.
Ik heb er ‘s nachts bij noodweer op een dijk niet ver van Borssele gestaan, de regen horen neerkomen in de Westerschelde, de bliksem in zien slaan op een voor anker liggend schip; de donder was oorverdovend. Niet ver van de eerste boerderijen was ik voor het eerst alleen.
Nog iets verder ligt het Nauw van Bath, waar de Westerschelde op zijn smalst is. Wie daar de dijk volgt, die in dit deel van Zuid-Beveland altijd in zicht is, bereikt de meest abrupte grens van ons land. Daar, precies voor het scheiden van Belgiƫ en Nederland, eindigt de weg in een parkeerplaats. Bovenop de dijk zie je er de eerste industrie van de Antwerpse haven, terwijl aan de andere kant van de Westerschelde, waar de schepen zonder rust passeren, het verdronken land van Saeftinghe ligt. Terwijl de grote weg die naar de haven leidt vlakbij is, en niet ver achter je een golfbaan kronkelt, voel je je er reddeloos verloren.
Het zal die verlokking van eenzaamheid zijn waarom mannen van voor en over de grens elkaar ontmoeten, daar aan het einde van de wereld. Auto’s rijden af en aan. Over de dijk verdwijnen de bestuurders uit het zicht.